Richtlijn: Ouder-kindrelatie (2021)

Continuüm van veilig naar onveilig

Alle ouders willen een goede band opbouwen met hun kind. Of er zich een goede ouder kind-relatie kan ontwikkelen, hangt echter af van een ingewikkeld samenspel van belemmerende en beschermende factoren (zie Thema 2) en de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Hierbij geldt dat, naarmate er meer belemmerende factoren aanwezig zijn, er ook meer beschermende factoren aanwezig moeten zijn wil de relatie zich goed genoeg kunnen ontwikkelen. Met andere woorden, de ervaren draaglast en draagkracht moeten in balans zijn. Een verfijning van dit denken is het ‘buffermodel’ van Alice van der Pas (van der Pas 2003; 2005; 2007). De buffers vormen het veerkrachtsysteem van ouders. Het gaat om factoren die bijdragen aan de groei of het stagneren van het ouderschap, zoals een ondersteunend sociaal netwerk van ouders, de mogelijkheid om te praten en te reflecteren over opvoeding, en ‘goede ouder’-ervaringen. Een 'goede ouder'-ervaring is de ervaring dat je als ouder ertoe doet voor je kind en dat je invloed hebt op je kind. 

De resultante van de wisselwerking tussen kenmerken en gedrag van de ouder(s), de jeugdige zelf en zijn/haar directe omgeving (het gezin, familie), ofwel de mate van veiligheid en geborgenheid of het vertrouwen in de ouder-kindrelatie, vormt een continuüm dat loopt van een veilig naar onveilig. Ankerpunten in dit continuüm worden hieronder beschreven. Waar een jeugdige zich in dit continuüm precies bevindt, is alleen betrouwbaar vast te stellen in een gestandaardiseerde, diagnostische observatieprocedure die buiten het domein van de JGZ valt.

Veilige gehechtheidsrelatie

Naar schatting zestig tot zeventig procent van alle thuiswonende jeugdigen in de leeftijd van één tot twaalf jaar bouwt een veilige gehechtheidsrelatie met zijn/haar ouders op (van IJzendoorn & Juffer, 2006; van Den Dries et al, 2009). Onderzoek laat zien dat jeugdigen met een veilige ouder-kindrelatie betere sociaal-emotionele uitkomsten hebben dan jeugdigen met een onveilige band (Gezondheidsraad, 2018; Groh et al., 2014; 2017). Jeugdigen met een veilige relatie hebben ook betere sociale vaardigheden (Schneider et al., 2001) en er zijn positieve effecten gevonden op cognitieve en taalvaardigheden (Murray & Yingling 2000; O’Connor & McCartney 2007). 

Onveilige gehechtheidsrelatie

Vijftien tot vijfentwintig procent van alle gezonde, thuiswonende jeugdigen tussen één en twaalf jaar heeft echter een gehechtheidsrelatie waarbij de balans meer naar de onveilige kant uitvalt. Deze groep verkeert in een iets minder gunstige uitgangspositie wat betreft hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Jeugdigen die meer onveilig gehecht zijn aan hun ouders staan doorgaans iets minder stevig in hun schoenen, hebben minder zelfvertrouwen en zijn iets minder sociaal. 

Kinderen die onveilig gehecht zijn, hebben minder vertrouwen in de emotionele beschikbaarheid van hun verzorger. Deze kinderen hebben een strategie ontwikkeld om met deze onzekerheid om te gaan. Deze strategie komt tot uiting in verschillende typen onveilige gehechtheid: ambivalent en vermijdend. Bij jonge kinderen in de peuterleeftijd kunnen deze patronen al zichtbaar zijn. In een door Basic Trust ontwikkelde infosheet worden deze verschillende patronen nader toegelicht met behulp van alledaagse voorbeelden uit het leven van kinderen van twee tot vijf jaar. 

  • Ambivalent gehechte kinderen zijn in stressvolle situaties erg gericht op de ouder en zijn moeilijk te troosten. Ze zoeken heel veel contact met de ouder omdat ze uit eerdere ervaringen weten dat er heel wisselend gereageerd wordt op hun verdriet. Ze zetten al hun emoties in om zich te verzekeren van de nabijheid van de ouder. Het ambivalente blijkt uit het feit dat deze kinderen zich enerzijds aan de ouder vastklampen en anderzijds hun woede en teleurstelling laten merken door afwerend, boos gedrag richting de ouder. 
  • Vermijdend gehechte kinderen zijn vooral gericht op het exploreren met speelgoed en lijken weinig geruststelling nodig te hebben van hun ouders in een spannende situatie. Zowel bij de ouder als het kind zie je een eenzijdige nadruk op exploratie, zelfstandigheid en autonomie. Als het kind stress ervaart, laat het jonge kind dat niet merken aan de ouder maar richt het de aandacht op speelgoed. Deze strategie gebruiken vermijdend gehechte kinderen omdat hun ervaring is dat de ouder niet beschikbaar is als ze hem/haar nodig hebben. Ze hebben zichzelf min of meer ‘aangeleerd’ dat toenadering zoeken geen zin heeft.

Een meer onveilige gehechtheidsrelatie moet alleen niet gezien worden als iets ‘pathologisch’, veeleer als een variatie binnen de normale bandbreedte. Het gros van de jeugdigen met een onveilige gehechtheidsrelatie wordt volwassen zonder dat hulp van buitenaf nodig is. Een onveilige gehechtheidsrelatie kan in de eerste levensjaren bovendien met tips, adviezen en door begeleiding goed bijgestuurd worden, bijvoorbeeld door de ouders te ondersteunen in het sensitief reageren (zie verder Thema 3). Over het algemeen geldt wel dat, hoe jonger het kind, des te gemakkelijker de relatie bijgesteld kan worden (Bowlby 1988; Waters & Cummings, 2000: Van IJzendoorn, 2008).

Verstoorde of problematische ouder-kindrelatie

Voor naar schatting vijftien procent van de jeugdigen is de relatie met hun ouders zo problematisch, dat hun ontwikkeling mogelijk bedreigd wordt door de gehechtheidsproblemen (Main & Solomon, 1990; van IJzendoorn, 2010; Fearon et al., 2010; Groh et al., 2012; 2017). Deze meer ernstige gehechtheidsproblemen worden ook wel aangeduid als een verstoorde, gedesorganiseerde of een problematische ouder-kindrelatie. Bij deze jeugdigen overheerst wantrouwen in de ouder: de ouder-kindrelatie biedt geen emotionele veiligheid. Op jonge leeftijd heeft het kind regelmatig ervaren dat zijn of haar stress niet gereguleerd werd door de ouder. Hierdoor bleef het kind veel stress ervaren – wat schadelijk is – en heeft het niet geleerd om de eigen emoties te reguleren. Deze jeugdigen zijn onzeker over de emotionele beschikbaarheid van anderen, hebben minder inzicht in hun eigen emoties en het kost hen meer moeite om hun eigen emoties te beheersen. Ze hebben bovendien vaak een laag zelfbeeld en veel moeite om zich in anderen te verplaatsen, en laten zich gemakkelijk overweldigen door hun eigen emoties. 

Een verstoorde of gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie komt veel vaker voor bij kinderen die mishandeld, verwaarloosd of blootgesteld zijn aan huiselijk geweld (Cyr, Euser, Bakermans-Kranenburg & Van IJzendoorn, 2010). Deze kinderen ervaren stress en angst waar ze geen oplossing voor hebben (Main & Solomon, 1990): zij zijn bang voor hun ouder, die tegelijk de enige volwassene is bij wie zij nabijheid en troost kunnen zoeken. Ook ouder-kind relaties belast met onverwerkt trauma van de ouders, raken vaker verstoord. Dat wil zeggen: kinderen van wie de ouders een onverwerkt trauma hebben meegemaakt, ontwikkelen vaker een gedesorganiseerde vorm van gehechtheid (Lyons-Ruth, 1996). 

Onderzoek heeft aangetoond dat specifieke oudergedragingen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie. De meta-analyse van Madigan et al (2006) laat zien dat het gaat om beangstigend, angstig of extreem insensitief gedrag van ouders, zoals een kind geen troost of veiligheid bieden, een aanvalshouding aannemen, een harde stem, het kind uitlachen of plagen als een kind van slag is, affectie of bevestiging vragen van het kind (rolomkering), op onvoorspelbare momenten afwezig zijn, zich terugtrekken uit contact op het moment dat het kind toenadering zoekt, tegenstrijdige signalen afgeven en dreigen.

Jeugdigen met ernstige gehechtheidsproblemen zijn meer kwetsbaar voor het ontwikkelen van psychische en gedragsproblemen (Bateman & Fonagy, 2012). In twee meta-analyses zijn zwakke tot matige verbanden gevonden tussen een onveilige ouder-kindrelatie en internaliserende problemen, zoals angst en piekeren (Colonnesi et al. 2011; Groh et al. 2014). Een andere meta-analyse (Fearon et al., 2010) laat zien dat een onveilige gehechtheidsrelatie ook samengaat met externaliserende gedragsproblemen, vooral bij jongens. 


Pagina als PDF