Richtlijn: Ouder-kindrelatie (2021)

Overwegingen

De JGZ professional bespreekt met (aanstaande) ouders (preventief) het belang van een goede interactie met het kind. In het gesprek met ouders worden positieve zaken benadrukt en ligt de focus op samenwerking. De professional heeft hierbij ook oog voor de eigen problemen van de ouder(s), de gezins- en leefomstandigheden en de door de ouder(s) ervaren draagkracht/draaglast. Zie het themadossier ouderschap voor meer informatie over aansluiten bij ouders en ouderschap. Aan de hand van observaties en wat de ouder(s) vertellen wordt zo nodig voorlichting gegeven over de ontwikkeling van de ouder-kindrelatie in de verschillende levensfasen (zie Thema 1) en worden tips en adviezen gegeven om relatie te versterken (zie Box 2.1 ).

Observeren

Vanaf de leeftijd van ongeveer één jaar laten kinderen in hun gedrag zien in welke mate ze vertrouwen hebben in de ouder en zichzelf, waarbij de context (welk tijdstip van de dag, wat is er voorgevallen) altijd meegenomen moet worden. Een kind kan zich optimaal ontwikkelen als het aan de ene kant het vertrouwen en de letterlijke kans van ouders krijgt om de omgeving te verkennen en te exploreren. Aan de andere kant is het nodig dat de ouders steun bieden wanneer het kind dat nodig heeft.
Tijdens contacten heeft de JGZ professional de mogelijkheid om de interactie tussen ouder en kind te volgen en rechtstreeks te observeren: Laat het kind exploratief gedrag zien of verlaat hij/zij de schoot van de ouder niet? Hoeveel moeite is nodig van de onderzoeker om het kind tot coöperatie te verleiden? Welke rol neemt de ouder hierbij op zich, moedigt de ouder het kind aan om te gaan spelen? Heeft de ouder de regie over de situatie, of gedraagt het kind zich heel dominant en dwingend? Is er veel spanning in het contact tussen ouder en kind (verwijten, negatief spreken, afwerend gedrag, irritaties), of oogt het contact plezierig? Ook het visusonderzoek en het onderzoek naar de taalontwikkeling geven de JGZ professional de gelegenheid om te observeren hoe de ouder reageert op het kind.

Bij het observeren van de interactie tussen ouder en kind kan bijvoorbeeld gelet worden op de volgende aspecten (die deels ontleend zijn aan de EAS schalen van Biringen et al., 1998):

  • oogt de ouder-kind interactie ontspannen, in de zin dat ouder en kind beiden het contact prettig vinden?
  • is er voldoende ruimte voor de eigen initiatieven van het kind?
  • kijken ouder en kind elkaar aan?
  • heeft de ouder de regie? En kan de ouder het kind aansturen op een prettige manier?
  • hoe reageren ouder en kind (verbaal) op elkaar? Zijn er signalen van stress of irritatie bij ouder of kind?
  • als het kind van streek is, lukt het de ouder om het kind te kalmeren?
  • hoe spreekt de ouder over het kind?

Al deze aspecten geven een indruk van de ouder-kindrelatie: bijvoorbeeld een ouder die erg negatief praat over het kind, een ouder die het kind niet kan kalmeren (bijvoorbeeld na een vaccinatie), een kleuter die erg angstig is en niet wil gaan spelen, kunnen wijzen op een minder veilige ouder-kindrelatie.

Jonge kinderen uiten hun gevoelens van ongenoegen of frustratie in gedrag. Problemen met eten, slapen of veel huilen kunnen een indicatie zijn van een kwetsbare ouder-kindrelatie. In zo’n situatie is het raadzaam om, na uitsluiting van medische problematiek, ook aandacht te hebben voor de ouder-kindrelatie. Ook bij oudere jeugdigen die probleemgedrag laten zien, is het zaak altijd ook aandacht te geven aan de ouder-kindrelatie.

Hierbij dient wel de aantekening gemaakt te worden dat het consult altijd een momentopname is, en dat ouders in de spreekkamer soms een andere houding naar hun kind aannemen, omdat ze verwachten dat dit de gewenste houding is. Daarnaast kan er een (ingrijpende) gebeurtenis hebben plaatsgevonden die van invloed is op ouder(s) of kind. Om die reden is van belang om je observaties als JGZ professional altijd open te bespreken met ouders, zodat gekeken kan worden waar de mogelijke "oorzaak" ligt. Gezien de gevoeligheid van de informatie, is juiste taal en een vertrouwensband en daarmee ook continuïteit van zorg van groot belang.

JGZ professionals maken, op basis van eigen observaties en wat de ouders zeggen, gezamenlijk met de ouder(s) een inschatting over waar de jeugdige zich bevindt op het continuüm van veilig naar onveilig.

Het Van Wiechenonderzoek als basis voor gesprek over - en observatie van de ouder-kindrelatie

(Zie de NCJ website voor de uitvoering van de Van Wiechenkenmerken)

De uitvoering van de volgende items van het Van Wiechenonderzoek kan een goede aanleiding zijn om het onderwerp ouder-kindrelatie preventief ter sprake te brengen:
  • Kenmerk 29. Reageert op toespreken door ouder (vier weken)

Kort na de geboorte hebben ouder en kind aandacht voor elkaar, die zich uit in kijken naar elkaar en op elkaar reageren. Het hebben van aandacht voor elkaar is een voorwaarde voor de communicatieve ontwikkeling van het kind.

  • Kenmerk 30: Lacht terug (8 weken)

Op deze leeftijd lacht het kind naar alle mensen zonder duidelijke voorkeur voor een specifieke persoon. Het is belangrijk dat dit ook duidelijk is voor de ouder, zodat hij/zij zich niet afgewezen voelt, als de baby meer lacht naar een ander. De reactie van de ouder/verzorger op het lachen van de baby zegt wel iets over de sensitiviteit van de ouder om de signalen van de baby op te vangen en erop te reageren.

  • Kenmerk 31: Maakt geluiden terug (3 maanden)

Ook op deze leeftijd heeft het kind nog geen voorkeur voor personen. Het biedt wel een aangrijpingspunt om met de ouder/verzorger te bespreken hoe je met de baby kunt “praten”, en hoe je als ouder beurtgedrag laat zien.

De volgende kenmerken van het Van Wiechenonderzoek kunnen gebruikt worden om de ouder-kindrelatie te observeren:
  • Kenmerk 11. Doet blokje in/uit doos (15 maanden)

Dit kenmerk geeft informatie over de aanwezigheid van exploratief en sociaal gedrag. Het kind gaat de ander steeds meer bij zijn dagelijks leven betrekken. Hij toont speelgoed, betrekt de ander bij zijn spel/acties, daarbij de blik van de ander volgend of die daadwerkelijk naar de actie kijkt (joint attention). Het kind toont duidelijk interesse in de mensen om hem heen

  • Kenmerk 12. Speelt “geven en nemen” (15 maanden)

Het gaat erom na te gaan of het kind het spelletje ‘geven en nemen’ begrijpt (cognitie). De ouder-kind relatie speelt hierbij een rol: beurtgedrag vraagt om vertrouwen in de ander. Kinderen met een minder veilige relatie zijn hiertoe moeilijk uit te lokken.

  • Kenmerk 14. Gaat op onderzoek uit (18 maanden)

De levendige belangstelling van het kind voor zijn omgeving komt tot uiting in exploratiegedrag. Dit wordt mogelijk door het feit, dat hij zich zelfstandig kan verplaatsen en de nabijheid van de ouder kan opgeven. Zo leert het kind zijn wereld kennen. De ouder-kind relatie speelt bij dit kenmerk een belangrijke rol. Een kind dat zich veilig voelt gaat rustig op onderzoek uit in het consultatiebureau en laat de ouder af en toe dingen zien.

 

Bespreken

Het vraagt veel deskundigheid van professionals om een kwetsbaar thema als de ouder-kindrelatie op een waardevrije en respectvolle manier bespreekbaar te maken, zonder dat er onnodig geproblematiseerd wordt. Signaleren dat de ouder-kind band niet goed is, kan bovendien als ouderlijk falen worden gevoeld. Tijdens het gesprek worden positieve zaken benadrukt en ligt de focus op oplossingen in plaats van op problemen (de Wolff et al., 2019).
Termen als ‘gehechtheidsrelatie’, ‘hechtingsrelatie’ of ‘hechting’ kunnen in de omgang met ouders beter niet gebruikt worden, deze roepen vaak onbegrip of weerstand op en zijn veel te abstract (richtlijn “Problematische Gehechtheid” voor jeugdhulp en jeugdbescherming) (de Wolff et al., 2014). Gebruik liever meer neutrale woorden zoals ‘band’ of ‘contact’’, of ‘basisvertrouwen’. Om de ouder kind-relatie goed bespreekbaar te kunnen maken is training in gespreksvoering (bijvoorbeeld in Motivational Interviewing) essentieel.

Meer tips en adviezen voor als de professional het gesprek over de ouder-kindrelatie aan gaat, zijn (ontleend aan Informatiekaart “Signaleren en ondersteunen ouder-kindrelatie” van Babykennis, zie Bijlage 2.3):

Niet Wel
  • Bagatelliseren
  • Zorg overnemen
  • Zeggen dat ze het fout doen
  • Luisteren naar de ouder
  • Afvragen wat zich afspeelt in het hoofd van de ouder
  • Ruimte bieden aan emoties/zorgen/twijfels
  • Begrip tonen, valideren, serieus nemen
  • Ontschuldigen door aan te geven hoe omstandigheden hebben kunnen leiden tot deze situatie
  • Aan ouders vragen: ‘Wat heb je nodig?’
  • Positieve zaken benadrukken
  • Samen met de ouders kijken naar het kind
  • Samen met de ouders signalen van het kind interpreteren
  • Aan het kind vertellen wat er hier en nu gebeurt

Babykennis heeft hiervoor, in samenwerking met een groep Infant Mental Health specialisten, een Informatiekaart 'Signaleren en ondersteunen ouder-kindrelatie' ontwikkeld voor ouders van jonge kinderen tot 4 jaar (Bijlage 2.3). Deze kaart beoogt concrete handvatten te geven aan zorgverleners om eventuele problemen in de ouder-kindrelatie (vooral bij jonge kinderen) op een invoelende manier bespreekbaar te maken. De informatiekaart maakt een onderscheid tussen drie ‘partijen’: de ouder, het kind en de hulpverlener. Bij het goed in kaart brengen van een specifieke situatie in een gezin, moet de hulpverlener (in dit geval de JGZ professional) nagaan welke gevoelens en gedragingen ouder en kind ieder afzonderlijk laten zien (Wat doet de ouder? En wat gaat er in de ouder om? Wat doet het kind? En wat gaat er in het kind om?). Bijvoorbeeld: de ouder wendt zich af van het kind, praat op een boze manier over het kind, of kan de zorg niet uit handen geven. Het kind huilt veel, wil continu vastgehouden worden en slaapt slecht. De kaart omschrijft een aantal gevoelens en gedragingen (van ouder en kind) die kunnen wijzen op problemen in de ouder-kindrelatie. Vervolgens benoemt de kaart heel concreet wat een hulpverlener wel en niet moet doen bij zorgen over de ouder-kindrelatie. De richtlijnwerkgroep beoordeelt de kaart als nuttig en bruikbaar, maar het is niet bekend of de kaart geëvalueerd is op bruikbaarheid en in hoeverre de kaart beantwoordt aan de doelstelling.

Het gebruik van korte instrumenten om eventuele gehechtheidsproblemen in kaart te brengen, is omstreden. Met name in de klinische hoek leven grote bezwaren tegen dergelijke lijsten omdat ouders wellicht te snel een te zwaar etiket opgeplakt krijgen. Aan de andere kant hebben professionals – ook in de praktijk van de JGZ – behoefte om eventuele vermoedens te onderbouwen met een instrument. Onderstaande drie instrumenten worden aanbevolen voor gebruik in de JGZ bij (vermoeden van) een verstoorde of problematische gehechtheidsrelatie. Er gelden drie belangrijkste voorwaarden: de JGZ professional dient enige kennis te hebben van het thema ‘gehechtheid’ (bijvoorbeeld door het lezen van deze richtlijn); het instrument dient vooraf goed toegelicht te worden bij ouders en de ouders stemmen in met het gebruik; en de uitkomst moet met veel voorzichtigheid worden geïnterpreteerd (dus nooit als diagnose!).

  • De ARI CP (2-5 jaar) is inmiddels gevalideerd voor gebruik in diverse contexten zoals jeugdhulpverlening en JGZ (Spruit et al., 2019). De ARI-CP 2-5 geeft een beeld van hoe opvoeders de gehechtheidsrelatie met hun kind in de leeftijd van twee tot vijf jaar ervaren.
  • De AISI (6-12 jaar) beoogt de kwaliteit van de gehechtheidsrelaties in kaart te brengen door middel van vragen over het gedrag van het kind tussen zes en twaalf jaar oud. De AISI is voldoende betrouwbaar en valide gebleken.
  • Hoewel de LSVG (nog) niet gevalideerd is voor gebruik in de JGZ wordt dit instrument op grond van praktijkervaring door de richtlijnwerkgroep als een nuttig en bruikbaar instrument gezien voor kinderen in de leeftijd van één tot circa vijf jaar (zie Bijlage 2.4).

In Tabel 2.3 wordt een gespreksleidraad beschreven voor het bespreekbaar maken van de ouder-kind relatie bij kinderen tussen nul en circa zes jaar oud. Deze gespreksleidraad is onder andere gebaseerd op de inzichten van Kuipers (2005), de informatiekaart van Babykennis (Bijlage 2.3) en praktijkervaringen van JGZ professionals.

De gespreksleidraad is opgebouwd uit de volgende vier stappen:

  • Stap 1: Observeer kind en ouder en verwoord wat je ziet;
  • Stap 2: Nodig de ouder uit om te reflecteren op het kind en de ouder-kind relatie;
  • Stap 3: Bespreek de observaties met betrekking tot de ouder-kind relatie;
  • Stap 4: Afronden: geef voorlichting en advies.

Binnen de vier stappen kunnen nog verschillende aspecten (a, b, c) worden onderscheiden, die bedoeld zijn als diverse mogelijkheden om het gesprek te voeren, al naar gelang de situatie. De leidraad beoogt enig houvast te geven, maar is niet bedoeld als een strak stappenplan. Het is niet nodig om de stappen in de hier beschreven volgorde te gebruiken. Evenmin moeten alle stappen doorlopen worden. Plan zo nodig een extra contact in.

Tabel 2.3: Gespreksleidraad voor het bespreekbaar maken van de ouder-kind relatie (0-6 jaar)2.

Stap 1. Observeer kind en ouder en verwoordt wat je ziet
a. Kijk samen met de ouder naar het kind en benoem wat het kind laat zien in zijn/haar gedrag. Door de signalen van het kind te verwoorden en te benoemen, fungeert de professional als een voorbeeld voor de ouder. Tegelijk is de overgang naar het thema ‘ouder-kind relatie’ natuurlijker.
b.

Kijk naar de interactie tussen ouder en kind, en benoem de positieve punten in de interactie. Dat helpt de ouder om te reflecteren op het kind en de band die de ouder met het kind heeft. Denk bijvoorbeeld aan de volgende punten, die tijdens het Van Wiechen Onderzoek geobserveerd kunnen worden, en die de professional kan benoemen:

  • De ouder-kind interactie oogt ontspannen;
  • Het kind voelt zich op zijn/haar gemak bij de ouder;
  • De ouder geeft voldoende ruimte voor eigen initiatieven van het kind;
  • Ouder en kind kijken elkaar regelmatig aan;
  • Het kind zoekt steun bij de ouder en de ouder reageert daar goed op;
  • Het lukt de ouder om het kind te kalmeren als het kind van streek is;
  • De ouder spreekt positief over het kind.

Negatieve punten in de interactie benoemt de professional in eerste instantie niet. Door hierop in het begin al de aandacht te vestigen, is het risico aanwezig dat de professional de ouder niet ‘meekrijgt’ in het gesprek, en dat de ouder in de verdediging gaat.

Stap 2: Nodig de ouder uit om te reflecteren op het kind, en de ouder-kind relatie
a. De ouder wordt (indien nodig) uitgenodigd om te reflecteren op de ouder-kind band met behulp van vragen als: “hoe zou jij (als ouder) jouw kind omschrijven of typeren?” of
hoe ervaar je de band met je kind?”, of ”hoe ervaar je het ouderschap?
b. Luister goed naar de ouder, met de volgende aandachtspunten:
  • Vraag je af wat zich afspeelt in het hoofd van de ouder;
  • Geef aandacht aan mogelijke belemmeringen of problemen die de ouder ervaart in het ouderschap: bijv. overgang naar werk, weinig steun partner, aanwezigheid andere kinderen, balans tussen draagkracht en draaglast, etc.;
  • Bied ruimte aan emoties/zorgen/twijfels van ouders;
  • Toon begrip en neem de ouder serieus ;
  • Mijd een beschuldigende toon door aan te geven hoe omstandigheden hebben kunnen leiden tot bepaalde zorgen of problemen.
Stap 3. Bespreek de observaties m.b.t. de ouder-kind relatie
a.

Pas nadat de ouder zelf zo positief mogelijk aandacht heeft gekregen, kunnen meer kritische observaties van de professional over de ouder-kind relatie gedeeld worden (bijv. ouder spreekt negatief over het kind, het kind krijgt weinig ruimte, of kind klampt de ouder angstig aan gedurende hele contact). Het is ook mogelijk dat de ouder zelf enkele zorgen of minpunten in stap 2 gedeeld heeft, waarbij de professional kan aansluiten.

  • De professional beschrijft eventuele zorgen met betrekking tot de ouder-kind relatie (en het gedrag dat het kind laat zien) zo objectief mogelijk, zonder waardeoordeel. Bijv.: “Het valt me op dat...”
  • Termen als ‘hechting’ of ‘gehechtheidsrelatie’ worden niet gebruikt. Wel: band, relatie, basisvertrouwen.
b. Vraag aan de ouder of hij/zij de geobserveerde punten herkent, en streef naar overeenstemming met de ouder.
c. Maak gebruik van de Infosheet van Basic Trust of de Informatiekaart van Babykennis (bijlage 2.3)
d. Help de ouder op weg met mentaliseren door vragen te stellen zoals: “Hoe zou (naam kind) zich voelen?’ ‘Waar zou (naam kind) behoefte aan hebben denk je? Wat voelt (naam kind?’
e. Als de ouder de zorgen niet herkent of er niet op in wil gaan, kan de professional in een volgend contactmoment op het thema ouder-kind relatie terugkomen
Stap 4. Afronden: geef voorlichting en advies
a. Vraag aan de ouder wat hij/zij nodig heeft met betrekking tot de vastgestelde zorgen
b. Geef tips en adviezen van Thema 1, eventueel aangevuld met voorlichting van Opvoedinformatie Nederland en Pharos.
c. Noteer (met toestemming van de ouder) in het dossier dat bij een volgend contact de ouder-kind relatie terugkeert als gespreksthema, of plan een extra contact in. Of: vul het afwegingskader in de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in en neem eventuele vervolgstappen.
Eventueel kunnen instrumenten ingezet worden bij vermoeden van een verstoorde ouder-kind relatie: de ARI-CP (2-5), de LSVG (1-5) of de AISI (6-12).

2De volgorde van de ‘stappen’ ligt niet vast; stappen kunnen ook achterwege gelaten worden.

Aandachtspunten zijn:

0-4 jaar
Ouders moeten zich continu aanpassen. De geboorte van het eerste kind is de grootste overgang, maar iedere fase van het ouderschap vraagt om een nieuwe invulling, waarbij ouders hun gedrag (moeten) afstemmen op de ontwikkelingsbehoeften van hun kind. In het eerste jaar heeft het kind behoefte aan emotionele veiligheid, in de jaren daarna wordt het stellen van grenzen belangrijker. Vrijwel alle ouders ervaren periodes van onzekerheid in de opvoeding en de omgang met hun kind, waarin het ouderschap hen zwaar valt. Uit onderzoek blijkt dat ouders vooral behoefte hebben om hun zorgen met een JGZ professional te kunnen delen, vaak ook zonder dat er direct een advies van hen wordt verwacht (zie JGZ richtlijn Opvoedondersteuning). De JGZ professional biedt hen hiervoor een luisterend oor, beantwoordt desgewenst opvoedvragen en normaliseert. Bij veel voorkomende, ‘normale’ opvoedproblemen in elke ontwikkelingsfase kunnen ouders gebruik maken van informatie van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin gevalideerde opvoedinformatie over veel voorkomende opvoedvragen voor ouders is opgenomen.

4+ jaar
In het gesprek met ouders van oudere kinderen (vanaf de leeftijd van ongeveer tien jaar) is het van belang te benadrukken dat conflicten doorgaans van tijdelijke aard zijn, en dat de ouder wel degelijk een belangrijke rol vervult voor de jeugdige, ook al uit hij/zij dit zelf niet direct. Het leren oplossen van conflicten op een constructieve manier en het laten zien dat dat een meningsverschil uitgesproken mag worden en niet perse een langdurige negatieve invloed op de relatie hoeft te hebben, is belangrijk. De JGZ professional adviseert ouders van pubers om een balans te zoeken tussen controle en betrokkenheid. Om goed op de hoogte te blijven van de activiteiten en belevingswereld van hun (puberende) kind, is het belangrijk dat ouders investeren in de band met hun zoon/dochter: bijvoorbeeld door belangstelling te tonen, dagelijks korte gesprekken aan te gaan of de tijd te nemen om samen dingen te doen. Door een positief gezinsklimaat te scheppen kunnen ouders een omgeving creëren waarin hun zoon of dochter vrijwillig veel informatie deelt over zijn of haar persoonlijke leven. Op hun beurt kunnen ouders hun kind daarbij steunen en indien nodig bijsturen (Branje et al., 2009).


Pagina als PDF