2.3.4 Epidemiologie

JGZ-richtlijn Vrouwelijke Genitale Verminking

JGZ-richtlijn Vrouwelijke Genitale Verminking

Vrouwelijke genitale verminking

Hoe vaak komt VGV voor? 

Wereldwijd zijn er naar schatting meer dan 230 miljoen vrouwen en meisjes besneden. Elk jaar lopen 4 miljoen meisjes het risico om besneden te worden [18]. In 17 landen in Europa wordt geschat dat 600.000 vrouwen en meisjes besneden zijn en dat 190.000 meisjes het risico lopen om besneden te worden [41]. Voor een globale trendanalyse en ontwikkelingen wereldwijd verwijzen we naar UNFPA en UNICEF [18]

Hoeveel meisjes lopen risico op VGV? 

Op 1 januari 2023 wonen in Nederland ca. 143.000 vrouwen en meisjes die afkomstig zijn uit een van de 30 landen waarvan VGV-prevalentiecijfers beschikbaar zijn. Van deze groep is naar schatting ongeveer 43.000 vrouwen en meisjes besneden. Daarnaast wonen er in Nederland ongeveer 29.000 minderjarige meisjes mogelijk risico. Ruim 2600 van hen lopen een reëel risico, als preventieve maatregelen hen niet bereiken [57]. Voor een overzicht van de landen waar VGV voorkomt, zie module Signaleren en de interactieve kaart prevalentie vrouwelijke genitale verminking Deze linkt opent in een nieuw tabblad van Pharos. 

Omvang van VGV in Nederland 

Om te kunnen schatten hoeveel vrouwen en meisjes in Nederland reeds besneden zijn en hoeveel meisjes risico lopen op VGV, is in 2025 prevalentieonderzoek uitgevoerd.  Om de omvang en het risico van VGV in Nederland te schatten, worden prevalentiecijfers uit landen waar VGV voorkomt geëxtrapoleerd naar meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit deze landen.

VGV komt voor in 31 landen waarvoor representatieve gegevens beschikbaar zijn. Deze landen liggen vooral in een gebied dat loopt van West-Afrika tot de Hoorn van Afrika. Ook in delen van het Midden-Oosten, zoals Irak en Jemen, en in sommige Aziatische landen, zoals Indonesië, komt VGV voor. De prevalentie verschilt daarbij sterk van land tot land. 

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat VGV ook voorkomt in Colombia, India, Iran, Maleisië, Oman, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. Voor deze landen zijn echter nog geen representatieve cijfers beschikbaar. De huidige kennis is daar vooral gebaseerd op kleinschalig onderzoek of op anekdotische informatie. Bovendien verschillen de aard van de ingreep, de omstandigheden waarin deze plaatsvindt en de omvang van de getroffen groepen waarschijnlijk sterk per context. Doordat representatieve cijfers nog ontbreken, staan deze landen nog niet in de officiële lijsten van VGV-prevalentielanden.

In Nederland zijn er vanuit de praktijk steeds meer aanwijzingen dat VGV ook voorkomt bij mensen uit landen die niet officieel bekendstaan als VGV-prevalentieland. Om hier meer zicht op te krijgen, heeft Pharos de literatuur over de mogelijke omvang van VGV in deze landen verder verkend. Hiervoor is zowel gebruikgemaakt van wetenschappelijke publicaties als van grijze literatuur. Bij de beoordeling van deze landen is niet alleen gekeken naar signalen over het voorkomen van VGV, maar ook naar de gerapporteerde omvang, de methodologische kwaliteit van de beschikbare studies en het aantal publicaties waarin deze praktijk in de betreffende landen wordt beschreven.

De uitkomsten zijn daarna besproken met de werkgroep van de richtlijn. Op basis daarvan zijn vijf (Iran, Oman, Koeweit, Maleisië en Saoedi-Arabië) landen geselecteerd waarvoor het in de praktijk zinvol wordt geacht om binnen de JGZ een risico inschatting uit te voeren en in de toekomst te evalueren.

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen