2.3 Definitie en achtergrondinformatie

JGZ-richtlijn Pesten

JGZ-richtlijn Pesten

Pesten

Pesten is een vorm van agressief gedrag. Het feit dat sommige kinderen frequent en systematisch worden beledigd door andere kinderen of het doelwit van hun agressie zijn, is veel beschreven en veel volwassenen kennen persoonlijke ervaringen uit hun kindertijd. Toch is pas in 1970 voor het eerst een definitie van pesten beschreven, door Olweus [79].

Definitie van Olweus:

Een kind/jongere wordt gepest als hij of zij wordt blootgesteld, herhaaldelijk en voortdurend, aan negatieve acties door een of meerdere andere kinderen/jongeren uitgevoerd, waarbij er sprake moet zijn van een ongelijke balans in sterkte (een asymmetrische machtsverhouding).

Het is een negatieve actie als iemand opzettelijk letsel of ongerief aanbrengt of probeert aan te brengen bij de ander.

Een meer recente formulering van deze definitie luidt:

Kinderen worden gepest als ze door een of meer leeftijdsgenoten bewust en stelselmatig worden beschadigd door negatieve acties, waarbij de macht ongelijk verdeeld is en de gepeste zich meestal niet kan verdedigen.

Negatieve acties kunnen bestaan uit fysiek contact of uit woorden, maar behelzen ook het maken van obscene gebaren, niet aankijken of juist staren, ogen rollen, roddelen of het bewust buiten de groep sluiten/discrimineren. Het verschil in macht betekent dat het kind dat gepest wordt zich niet goed kan verweren en enigszins hulpeloos is ten opzichte van de pester [79].

Het gaat bij pesten dus om drie aspecten:

  1. Het is agressief gedrag of opzettelijk kwaad doen.
  2. Het gebeurt herhaaldelijk en voortdurend.
  3. Het gebeurt binnen een interpersoonlijke relatie, waarbij er sprake is van ongelijke macht.

 

Veel kinderen zijn niet actief betrokken bij pesten, maar zijn wel getuige van pestgedrag en hun reactie daarop is bepalend voor wat er gebeurt. Zij handelen zodanig dat pesten in stand wordt gehouden en niet wordt ontmoedigd. Het onderzoek van Salmivalli [71] beschrijft de verschillende rollen van alle betrokkenen bij pesten:

  • Leidende pesters (initiëren het pesten).
  • Assisterende pesters (pesten mee).
  • Bekrachtigers/versterkers van het pesten (bekrachtigen door lachen, aanzetten tot pesten of gewoon door publiek te zijn).
  • Buitenstaanders (doen niet mee met het pesten, maar zien het stilzwijgend aan). Dit kan door de gepeste worden ervaren als goedkeuring van het pesten.
  • Verdedigers van de gepeste persoon (komen op voor de gepeste en proberen het pesten te stoppen).

 

De status en waardering die pesters krijgen binnen het groepsproces kunnen het pesten in stand houden. Deze rollen kunnen daarom ook onderdeel zijn van de oplossing voor pesten, door het stimuleren van minder buitenstaanders en meer verdedigers [51]. Daarnaast draagt het onvoldoende creëren van veiligheid in een groep of school bij aan het (in stand houden van) pestgedrag.

Uit internationale literatuur blijkt dat er een wisselwerking is tussen pesten en gepest worden: wie pest, loopt een grotere kans om later zelf gepest te worden, en wie gepest wordt, heeft een grotere kans om later zelf te gaan pesten [93].

Er worden twee vormen van pesten onderscheiden: direct pesten en indirect pesten, die ook wel als traditioneel pesten worden benoemd [2]. Cyberpesten wordt als aparte vorm door de wetenschap beschouwd [65]. Hieronder volgen enkele voorbeelden:

1. Direct pesten:

Ook wel fysiek en verbaal pesten genoemd. Dit zijn openlijke aanvallen op de gepeste, zoals:

  • slaan, schoppen, dreigen met geweld;
  • uitschelden; obscene gebaren maken;
  • persoon voor schut zetten of beledigen;
  • uitlachen; ‘grapjes’ met de gepeste uithalen,
  • seksueel getinte of discriminerende opmerkingen roepen; grappen maken over iemands seksuele oriëntatie;
  • eigendommen afpakken, beschadigen of kwijtmaken.
     

2. Indirect pesten:

Ook wel relationeel of emotioneel pesten genoemd. Dit zijn aanvallen in de vorm van sociale isolatie, zoals:

  • bewust buiten de groep sluiten/discrimineren, negeren, wegstaren;
  • roddelen, seksuele geruchten verspreiden;
  • persoon in de klas voortdurend afleiden (soms reageert de gepeste en krijgt daarvoor straf, tot vermaak van de pester);
  • afpersen (de gepeste moet geld of goederen geven of klusjes doen);
  • voortdurend kritiek uitoefenen
  • microagressie 
     

3. Cyberpesten:

Cyberpesten vindt plaats via digitale apparaten zoals smartphones, tablets, laptops of computers. Dit gebeurt in online omgevingen, zoals social mediaplatformen, online games en fora. De pester maakt gebruik van digitale middelen, waaronder ook AI-toepassingen, om anderen opzettelijk schade te berokkenen. Er zijn vele uitingen van cyberpesten. Wat in het echte leven aan pestvormen en uitingen bestaat, zien we in de praktijk terug in online varianten. Voorbeelden hiervan zijn:

  • het verzenden van beledigende of bedreigende berichten gericht op een persoon via chats op sociale media, in games of als reactie op geplaatste posts.
  • verspreiden van negatieve of kwetsende berichten over een persoon via sociale media, fora en games;
  • ongewenst beelden, filmpjes of geluidsopnamen maken, bewerken en delen zonder toestemming;
  • digitale stickers en memes van iemand maken en delen;
  • het maken en verspreiden van neppe foto’s of deepfakes met behulp van AI, bijvoorbeeld door iemands gezicht in een compromitterende of vernederende situatie te plaatsen zonder toestemming;
  • zonder toestemming doorsturen van seksueel getinte berichten of afbeeldingen (shamesexting);
  • ongevraagd in- en uit chatgroepen gooien;
  • blokkeren;
  • maken van roddel-, haat- en exposeaccounts;
  • telefonisch of op sociale media lastigvallen of stalken;

 

Cyberpesten verschilt op een aantal punten van traditioneel pesten [65]. Door het gevoel van anonimiteit vertonen pesters online vaak meer ongeremd gedrag dan bij andere vormen van pesten. Zij wanen zich veilig achter een scherm en worden niet direct geconfronteerd met de impact van hun gedrag op anderen. Een klein deel van de cyberpesters houdt bovendien zijn identiteit bewust achter, bijvoorbeeld door een anoniem account aan te maken dat moeilijk of niet te herleiden is naar hun echte identiteit.

Wanneer deze anonieme pesters zich richten op onbekenden, worden ze vaak aangeduid als “trollen”. Binnen een schoolcontext richt anoniem pestgedrag zich meestal op bekende medeleerlingen. Deze anonimiteit bemoeilijkt het achterhalen van de pester en leidt ertoe dat er vaak geen directe consequenties volgen voor hun gedrag. Doordat de emotionele reacties van de gepeste niet zichtbaar zijn, ontbreekt de rem die in face-to-face situaties soms wel aanwezig is.

Het aanpakken van cyberpesten is hierdoor complexer dan bij traditioneel pesten. De afstand en mogelijkheid om anoniem te zijn, geven pesters een extra vorm van bescherming [74]. Omdat anonieme pesters lastig te identificeren zijn, is de kans op bestraffing klein. Dit kan ertoe leiden dat zij vaker en op extremere wijze pesten.  

Cyberpesten kenmerkt zich ook doordat het altijd en overal kan doorgaan. Het stopt niet bij de schoolpoort, maar gaat online 24/7 door. Hierdoor raakt het ook de veiligheid van een gepeste in zijn thuisomgeving [74].

Daarnaast is het bereik veel groter dan bij traditioneel pesten, waardoor meer mensen getuige zijn van de vernederende berichten en beelden die gedeeld worden op social media. Dit zet bovendien anderen aan om te reageren of de inhoud verder te verspreiden. Zo blijft het online zelden bij één pester. Iedereen die bewust kwetsende inhoud doorstuurt, maakt zich schuldig aan pesten en verergert hiermee de situatie. Voor de gepeste kan dit overweldigend zijn; het materiaal blijft online staan, is vrijwel niet te verwijderen en kan steeds opnieuw worden bekeken, soms zelfs jaren later. 

Cyberpesten staat binnen de schoolcontext niet altijd op zichzelf. Zodra kinderen in de smartphoneleeftijd komen, zien we dat het vertoonde pestgedrag ook naar de digitale omgeving verschuift. Kinderen die online gepest worden (cyberpesten) zijn vaak ook het doelwit van traditioneel pesten op school, meestal door dezelfde leerlingen [14]. Via sociale media komen ze hun eigen pesters weer tegen, waardoor het pesten zowel online als fysiek doorgaat. De oplossing voor cyberpesten is dan voor een gedeelte dezelfde als die voor traditioneel pesten.

Bij cyberpesten kan de gepeste in sommige gevallen zelf ook overgaan tot pestgedrag [61]. Jongeren die online of offline gepest zijn, kunnen uit frustratie of als reactie op hun ervaringen zelf pestgedrag gaan vertonen. Dit fenomeen, waarbij gepeste jongeren ook zelf pesters worden, wordt in de literatuur aangeduid als victim-bully. Het onderzoek van Pabian en Vandebosch [61] laat zien dat sociale angst hierin een belangrijke rol speelt: jongeren met verhoogde sociale angst lopen niet alleen meer risico om online en fysiek gepest te worden, maar ook om zelf anderen te gaan pesten. De onlineomgeving biedt hen een laagdrempelige uitlaatklep voor hun frustraties, waarbij de anonimiteit en afstand het makkelijker maken om agressief gedrag te vertonen. Dit maakt het onderscheid tussen de pester en de gepeste soms moeilijk te trekken en onderstreept de noodzaak van een brede, contextgevoelige aanpak van cyberpesten.

Zie “Online pesten via sociale netwerken”, Stop Pesten Nu Deze linkt opent in een nieuw tabblad voor meer informatie over de verschillende sociale media platforms waar cyberpesten plaats kan vinden.

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen