Belangrijke begrippen in deze richtlijn zijn:
Rouw na overlijden
Rouw is een normale reactie op verlies. Na het overlijden van een kind, ouder, broer, zus of andere dierbare kan het dagelijks leven van een gezin ingrijpend veranderen. Ouders en kinderen moeten omgaan met verdriet en gemis, terwijl het gewone leven tegelijkertijd doorgaat. Ieder gezinslid rouwt op een eigen manier. Rouw kent daarom geen vaste volgorde, vaste duur of “juiste” manier van reageren.
Rouwfasen
In de literatuur worden vaak de vijf rouwfasen van Kübler-Ross [1] genoemd: ontkenning, woede, marchanderen, verdriet/depressie en aanvaarding. Deze fasen kunnen helpen om rouwreacties te herkennen, maar rouw verloopt niet volgens een vast stappenplan. Fasen kunnen door elkaar lopen, terugkomen of niet duidelijk herkenbaar zijn.
Ontkenning kan tijdelijk bescherming bieden tegen de volle impact van het verlies. Woede kan ontstaan wanneer de werkelijkheid doordringt. Bij marchanderen probeert iemand soms grip te krijgen op een situatie die niet meer te veranderen is. Verdriet en depressieve gevoelens kunnen volgen wanneer het verlies steeds duidelijker wordt. Aanvaarding betekent niet dat het verdriet verdwenen is, maar dat het verlies langzaam een plek krijgt in het leven.
Rouwtaken
Naast rouwfasen wordt vaak gewerkt met rouwtaken. Volgens Worden [2] bestaat rouw uit vier belangrijke taken:
- het verlies onder ogen zien;
- de pijn van het verlies toelaten en verwerken;
- leren leven in een situatie waarin de overledene ontbreekt;
- de overledene emotioneel een plek geven en verder leven.
Fiddelaers [3] voegt hieraan toe dat kinderen al vroeg mogen leren omgaan met verlies, verdriet en dood. Verlies moet niet worden weggestopt. Wanneer kinderen geen ruimte krijgen om te rouwen, kan verdriet later opnieuw of op een andere manier naar voren komen.
Rouwtaken verlopen niet volgens een vaste volgorde. Ze kunnen naast elkaar bestaan en jaren blijven doorwerken. Vooral na het overlijden van een kind kunnen mijlpalen, zoals een verjaardag, schoolovergang of nieuwe zwangerschap, het verdriet opnieuw activeren.
Vijf dimensies van rouw
Rouw en verlies kunnen op verschillende manieren tot uiting komen. Voor JGZ-professionals is het belangrijk om breed te kijken naar signalen, omdat rouw niet alleen zichtbaar wordt in verdriet of huilen. Het is niet de rol van JGZ-professionals om een DSM 5 diagnose vast te stellen; het is wel belangrijk om signalen te herkennen die kunnen wijzen op problematiek.
Vanuit het DSM-5-perspectief wordt onderscheid gemaakt tussen normale rouwreacties en psychiatrische stoornissen. De DSM-5 beschouwt rouw als een normale reactie op een ingrijpend verlies. Rouw kan zich echter manifesteren in verschillende domeinen van het functioneren. Het in kaart brengen van deze reacties helpt professionals om de impact van verlies breed te beoordelen en tegelijkertijd alert te blijven op signalen die kunnen wijzen op een psychische stoornis. Alleen wanneer klachten voldoen aan de diagnostische criteria van de DSM-5(-TR), is sprake van een psychiatrische diagnose.
Vanuit het Integrated Process Model of Loss and Grief kunnen reacties op verlies worden beschreven binnen vijf onderling samenhangende dimensies: lichamelijk, emotioneel, cognitief, sociaal en spiritueel. Deze brede benadering sluit aan bij een biopsychosociale en existentiële kijk op gezondheid en functioneren.
Deze dimensies helpen om rouwreacties breed in kaart te brengen en signalen te herkennen die aanleiding kunnen geven tot nadere diagnostiek of behandeling [31]:
- Fysieke dimensie: lichamelijke reacties op verlies, zoals vermoeidheid, slaapproblemen, spanning, veranderingen in eetlust, pijnklachten of verminderde energie.
- Emotionele dimensie: gevoelens die samenhangen met verlies, zoals verdriet, boosheid, angst, schuldgevoelens, opluchting, gemis of verlangen. Deze emoties kunnen wisselen in intensiteit en duur en passen vaak binnen een normale rouwreactie.
- Cognitieve dimensie: gedachten en mentale processen, veranderingen in denken en informatieverwerking, bijvoorbeeld piekeren, concentratieproblemen, het opnieuw interpreteren van gebeurtenissen, preoccupatie met de overledene of het verlies, geheugenproblemen of veranderingen in betekenisgeving.
- Sociale dimensie: veranderingen in relaties, sociale rollen en participatie, waaronder terugtrekken uit sociale contacten, veranderingen binnen het gezin, verminderde betrokkenheid bij school of werk, of gevoelens van eenzaamheid, of juist het zoeken van steun.
- Spirituele of existentiële dimensie: vragen rond zingeving, identiteit, levensbeschouwing en de betekenis van leven, dood en verlies. Deze dimensie kan invloed hebben op hoe iemand het verlies begrijpt en ermee omgaat.
Deze dimensies kunnen gelijktijdig voorkomen en elkaar wederzijds beïnvloeden. Een kind kan bijvoorbeeld lichamelijke klachten ontwikkelen en zich terugtrekken op school, zonder verdriet expliciet te uiten. Een ouder kan het dagelijks leven grotendeels blijven oppakken, maar tegelijkertijd kampen met vermoeidheid, schuldgevoelens, piekeren of existentiële vragen. Daarom is het belangrijk dat JGZ-professionals niet alleen aandacht hebben voor emoties, maar ook vragen naar lichamelijke klachten, cognities, gedachten, gezinsrollen, sociale steun of sociaal functioneren en zingeving. Wanneer klachten ernstig, langdurig of lang aanhouden en leiden tot duidelijke beperkingen in het functioneren, is het van belang te beoordelen of deze passen binnen een normale rouwreactie of voldoen aan de DSM-5 criteria voor een psychische stoornis, zoals een depressieve stoornis of een persisterende rouwstoornis (‘Prolonged Grief Disorder’).
Rouwreacties
Rouw kan zich emotioneel, lichamelijk, cognitief, sociaal en gedragsmatig uiten. Veelvoorkomende reacties zijn verdriet, boosheid, schuldgevoelens, angst, verwarring, concentratieproblemen, slaapproblemen, verminderde eetlust, lichamelijke klachten, vermoeidheid, eenzaamheid en terugtrekgedrag.
Deze reacties kunnen sterk verschillen per persoon. Binnen één gezin kunnen ouders, broers en zussen heel anders reageren. De ene ouder praat veel over het verlies, terwijl de andere ouder juist stiller wordt. Ook kinderen kunnen verdriet anders uiten dan volwassenen, bijvoorbeeld via gedrag, spel, lichamelijke klachten, terugval in ontwikkeling of schoolproblemen.
In de eerste periode na een overlijden zijn veel rouwreacties normaal. Het is belangrijk dat JGZ-professionals deze reacties erkennen en normaliseren, zonder het verdriet te bagatelliseren.
Ontregelende rouw
Rouwreacties zijn in de eerste maanden na een overlijden meestal normaal. Extra alertheid is nodig wanneer klachten langdurig, intens of ontregelend blijven. Signalen die kunnen wijzen op ontregelende rouw zijn onder andere:
- Langdurig niet kunnen praten over de overledene of juist voortdurend ermee bezig zijn;
- Aanhoudende stemmingswisselingen;
- Agressief of destructief gedrag;
- Aanhoudende angst dat andere gezinsleden ook zullen overlijden;
- Lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, buikpijn of misselijkheid;
- Langdurige slaap- of eetproblemen;
- Sociale terugtrekking;
- School- of leerproblemen;
- Sterke schuldgevoelens;
- Vermijding van herinneringen aan het verlies;
- Emotionele verdoving of het gevoel dat het leven zinloos is;
- Risicogedrag, zelfdestructief gedrag of doodsverlangen.
Wanneer deze signalen aanhouden of verergeren, is verdere beoordeling en verwijzing naar passende hulpverlening nodig. Bij kinderen en adolescenten kan volgens de DSM-5-TR pas vanaf 6 maanden na het overlijden sprake zijn van een ‘Prolonged Grief Disorder’. Voor volwassenen geldt een termijn van 12 maanden. De klachten moeten bovendien gepaard gaan met duidelijk lijden of beperkingen in het dagelijks functioneren.
Hoe reageren kinderen op een overlijden?
Kinderen die rouwen staan voor twee uitdagingen: omgaan met hun emoties en wennen aan de veranderingen in hun leven na het overlijden. Tegelijk gaat hun eigen ontwikkeling door. Alle kinderen merken dat er iets ingrijpends is gebeurd, maar wat zij begrijpen van de dood en hoe zij reageren verschilt per leeftijd.
Kinderen van 0 tot 2 jaar begrijpen de dood nog niet, maar voelen wel spanning, verdriet en veranderingen in hun omgeving. Zij kunnen reageren met huilen, onrust, angst, slaapproblemen of stilstand in hun ontwikkeling. Zij hebben vooral veiligheid, troost, liefde, aandacht en vertrouwde zorg nodig.
Kinderen van 2 tot 6 jaar begrijpen nog niet goed dat de dood definitief is. Zij kunnen denken dat de overledene terugkomt of dat zij zelf schuld hebben aan het overlijden. Hun emoties kunnen snel wisselen en zichtbaar worden in gedrag, zoals driftbuien, bedplassen of moeite met afscheid nemen. Zij hebben eenvoudige, eerlijke uitleg, herhaling en geruststelling nodig.
Kinderen van 6 tot 9 jaar begrijpen beter dat iemand die dood is niet terugkomt, maar hebben vaak nog veel praktische vragen over hoe en waarom iemand overlijdt. Zij kunnen bang zijn dat andere gezinsleden ook doodgaan. Hun verdriet is niet altijd zichtbaar en kan zich uiten in slaapproblemen, eetproblemen, gedragsverandering of schoolproblemen. Zij hebben duidelijke antwoorden en hulp bij het benoemen van gevoelens nodig.
Kinderen van 10 tot 16 jaar begrijpen beter wat overlijden betekent, maar kunnen hun gevoelens nog moeilijk delen. Zij kunnen zich zorgen maken over de achterblijvende ouder en proberen deze te ontlasten. Het is belangrijk dat zij steun krijgen, maar niet de verantwoordelijkheid van een volwassene overnemen. Zij hebben openheid nodig over de oorzaak en omstandigheden van het overlijden en ruimte om op hun eigen manier afscheid te nemen.
Kinderen vanaf 16 jaar begrijpen de dood als onomkeerbaar en universeel. Zij kunnen zoeken naar betekenis en worstelen met gevoelens van zinloosheid, wanhoop of verwarring. Vaak laten zij hun verdriet niet duidelijk zien, omdat zij anderen niet extra willen belasten. Zij hebben behoefte aan openheid, respect voor hun eigen manier van rouwen en ruimte om hulp te accepteren wanneer zij daaraan toe zijn.
Bijlage 7 geeft een overzicht van de uitingsvormen van rouw uitgesplitst naar de leeftijd van een kind.
Herrouwen
Rouw bij kinderen kan op latere leeftijden opnieuw naar voren komen. Dit wordt ook wel ‘herrouwen’ genoemd. Nieuwe ontwikkelingsfasen, schoolovergangen, verjaardagen of andere belangrijke momenten kunnen het verlies opnieuw activeren. Daarom is het belangrijk dat ouders en JGZ-professionals rouw bij kinderen niet zien als een afgerond proces, maar als iets dat met de ontwikkeling kan meebewegen.
Levend verlies
Levend verlies verwijst naar vorm van rouw die ontstaat door een blijvende, ingrijpende verandering in het leven. Het gaat om verlies van verwachtingen, mogelijkheden of toekomstbeelden, waarbij het verdriet telkens kan terugkeren omdat de oorzaak van het verlies, bijvoorbeeld een chronische aandoening, een ontwikkelingsachterstand, beperking of langdurige problematiek binnen het gezin, blijvend aanwezig is. De term is geïntroduceerd door Keirse [4], die zich baseerde op het eerdere wetenschappelijke werk over chronisch verdriet (chronic sorrow).
Levend verlies komt vaak geleidelijk naar voren, bijvoorbeeld bij een kind met een chronische aandoening, beperking, ontwikkelingsachterstand of langdurige onzekerheid over diagnose of toekomst. De JGZ kan dit signaleren tijdens reguliere contacten, via ouders zelf of via de overdracht van betrokken zorgverleners en ketenpartners.
Chronisch verdriet
Chronisch verdriet is een terugkerende en langdurige vorm van verdriet die ontstaat bij blijvende verliezen. Het concept werd oorspronkelijk beschreven door Olshansky [5] en later theoretisch uitgewerkt door Eakes, Burke & Hainsworth [40]. Triggers kunnen ontstaan rond ontwikkelingsmijlpalen, ziekenhuisopnames, gedragsproblemen, schoolmomenten of confrontaties met leeftijdsgenoten zonder beperking [40][38].

Figuur 1 – Het cyclische karakter van chronische rouw
Het CBS hanteert rond sterfte vooral deze begrippen:
Levenloos geboren kind/ stilgeboorte1
Een levenloos geboren baby is een baby die na ten minste 24 weken zwangerschap of met een geboortegewicht van 350 gram of meer wordt geboren en bij de geboorte geen tekenen van leven vertoont, zoals ademhaling, hartslag of spontane spierbewegingen [6].
1In plaats van de term ‘stilgeboorte’ wordt ook wel de term ‘doodgeboorte’ gebruikt. Doodgeboorte is de meer medische term.
Perinatale sterfte
Perinatale sterfte is sterfte rond de geboorte en omvat stilgeboorte na een zwangerschapsduur van ten minste 24 weken en het overlijden van een levendgeboren baby binnen de eerste zeven dagen na de geboorte.
Neonatale sterfte
Overlijden van een levendgeboren kind in de eerste 28 levensdagen.
- Vroege neonatale sterfte: overlijden in de eerste 7 levensdagen.
- Late neonatale sterfte: overlijden vanaf dag 7 tot en met dag 27.
Zuigelingensterfte
Zuigelingensterfte verwijst naar het overlijden van een kind vóór het bereiken van de eerste verjaardag.
Kindersterfte
Kindersterfte verwijst naar het overlijden van een kind vóór het bereiken van de vijfde verjaardag.