5.3.2 Jeugdigen betrekken

Praktijkmodule Rouw en verlies

Praktijkmodule Rouw en verlies

Na het overlijden van een kind blijven ouders de ouders van dit kind. Erken het bestaan en de betekenis van het kind. Noem het overleden kind bij naam wanneer ouders dit prettig vinden en vraag hoe zij over hun kind willen spreken. Bespreek alleen herinneringen, foto’s, voorwerpen, rituelen of herdenkingsmomenten wanneer dit aansluit bij hun wensen.

Na het overlijden van een ouder, verzorger, broer, zus of andere belangrijke naaste is aandacht nodig voor de betekenis van de relatie en voor veranderingen in rollen, routines en veiligheid binnen het gezin. Een kind kan bijvoorbeeld verdriet hebben en tegelijk proberen de achterblijvende ouder te beschermen. Ouders kunnen op hun beurt moeilijke informatie achterhouden om het kind te sparen. Bespreek voorzichtig wat ieder gezinslid weet, nodig heeft en durft te vragen.

Geef ouders de volgende uitgangspunten mee voor gesprekken met kinderen:

  • geef eerlijke, concrete en begrijpelijke uitleg;
  • pas woorden aan de leeftijd en ontwikkeling aan;
  • vermijd verwarrende omschrijvingen wanneer een kind deze letterlijk kan nemen;
  • geef ruimte voor vragen en herhaal uitleg wanneer dat nodig is;
  • maak duidelijk dat het kind geen schuld heeft aan het overlijden, de ziekte of de beperking;
  • benoem dat verschillende gevoelens normaal kunnen zijn;
  • bied ruimte voor verdriet én voor spelen, school, vrienden en gewone activiteiten;
  • houd vertrouwde dagelijkse routines zo veel mogelijk vast.

Vraag het kind of de jongere zelf:

  • wat hij of zij weet en hoe de situatie wordt begrepen;
  • welke veranderingen het meest worden gemerkt;
  • welke vragen, zorgen of gedachten er zijn;
  • wat op dit moment moeilijk en wat juist helpend is;
  • wie een vertrouwd persoon is;
  • hoe en met wie hij of zij over het verlies wil praten;
  • welke vorm van steun prettig of juist niet prettig zou zijn.

Geef jeugdigen toestemming om op hun eigen manier te reageren. Verdriet kan zichtbaar worden in woorden, maar ook in spel, gedrag, lichamelijke klachten, terugtrekking, boosheid, concentratieproblemen of een tijdelijke terugval in ontwikkeling. De beoordeling van signalen en functioneren staat in de module Preventie en signaleren.

Bespreek of het gesprek gezamenlijk met een ouder of (deels) afzonderlijk plaatsvindt. Een kind of jongere kan soms vrijer spreken zonder ouders erbij, terwijl een gezamenlijk gesprek juist kan helpen om elkaar beter te begrijpen. Stem dit af op leeftijd, ontwikkeling, gezinsverhoudingen en de geldende professionele afspraken.

Besteed afzonderlijk aandacht aan broers en zussen. Zij kunnen zich vergeten voelen, zichzelf verantwoordelijk maken, hun emoties verbergen of extra rekening houden met hun ouders. Vraag wat zij hebben meegemaakt, welke aandacht zij ontvangen, wat er thuis of op school is veranderd en welke steun zij zelf willen.

Heb je suggesties voor verbetering van deze Praktijkmodule?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen