2.5 Differentiaaldiagnose

Praktijkmodule Rouw en verlies

Praktijkmodule Rouw en verlies

Bij rouw en verlies is het belangrijk om normale rouwreacties te onderscheiden van klachten die kunnen wijzen op psychische, somatische of ontwikkelingsproblematiek. Verdriet, huilen, concentratieproblemen, slaapproblemen, schuldgevoelens en tijdelijk verminderd dagelijks functioneren kunnen passen binnen een normaal rouwproces. Bij een deel van de ouders of kinderen ontstaan echter ernstigere of langdurige klachten waarbij aanvullende beoordeling, ondersteuning of verwijzing nodig is. Dit onderscheid is nodig om rouw niet onnodig te medicaliseren, maar wel tijdig extra ondersteuning of verwijzing in te zetten wanneer klachten ernstig, langdurig of ontregelend zijn.

Psychiatrische stoornissen of andere problemen

Bij aanhoudende of ernstige klachten is het belangrijk onderscheid te maken tussen normale rouwreacties en onder andere depressieve stoornissen, angststoornissen, posttraumatische stressstoornissen, aanpassingsstoornissen, suïcidaliteit, somatische symptoomstoornissen, gedragsproblemen bij kinderen, ontwikkelingsproblematiek en een persisterende rouwstoornis.

Persisterende rouwstoornis volgens DSM-5-TR

De persisterende rouwstoornis wordt in de DSM-5-TR beschreven als een diagnose voor mensen bij wie het rouwproces na het verlies van een dierbare langdurig en ernstig vastloopt, waardoor sprake is van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het dagelijks functioneren. De diagnose kan bij volwassenen pas worden overwogen wanneer het overlijden ten minste 12 maanden geleden heeft plaatsgevonden. Voor kinderen en adolescenten geldt een termijn van ten minste 6 maanden [28].

Er moet sprake zijn van intens verlangen naar of gemis van de overledene en/of een aanhoudende preoccupatie met de overledene. Daarnaast moeten minimaal drie bijkomende symptomen aanwezig zijn, zoals identiteitsverstoring, ongeloof, vermijding, intense emotionele pijn, moeite om het leven weer op te pakken, emotionele verdoving, zinloosheid of intense eenzaamheid. De klachten zijn bijna dagelijks aanwezig, duren langer dan op grond van sociale, culturele of religieuze normen wordt verwacht en worden niet beter verklaard door een andere psychische of lichamelijke aandoening of door middelengebruik.

Voor de JGZ is het belangrijk om normale rouw niet te medicaliseren. JGZ-professionals stellen doorgaans geen DSM-diagnose, maar kunnen signalen herkennen, het functioneren en het beloop volgen, draagkracht en draaglast inschatten en zo nodig verwijzen naar passende diagnostiek of hulpverlening.

Gedrags- of ontwikkelingsproblematiek

Rouwreacties bij kinderen kunnen zich anders uiten dan bij volwassenen en worden soms verward met gedrags- of ontwikkelingsproblematiek. Mogelijke signalen zijn:

  • Regressief gedrag;
  • Prikkelbaarheid of boosheid;
  • Concentratieproblemen;
  • Slaapproblemen;
  • Teruggetrokken gedrag;
  • Lichamelijke klachten;
  • Schoolproblemen.

Bij jonge kinderen kan rouw zich uiten in spel of veranderde hechtingsreacties. Bij adolescenten kunnen risicogedrag, middelengebruik of depressieve klachten op de voorgrond staan. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen leeftijdsadequate rouwreacties (= reacties op verlies die passen bij de leeftijd, ontwikkeling en het begripsvermogen van een kind) en psychiatrische problematiek [7][20][8]. Bestaande kwetsbaarheden kunnen door verlies worden versterkt, terwijl langdurige rouw ook nieuwe klachten kan veroorzaken.

Heb je suggesties voor verbetering van deze Praktijkmodule?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen