3.6.4 Signaleren van risico’s

Praktijkmodule Rouw en verlies

Praktijkmodule Rouw en verlies

Rouwreacties na een overlijden en gevoelens van verlies bij levend verlies zijn normale reacties op een ingrijpende gebeurtenis. De meeste kinderen, jongeren en gezinnen vinden hierin geleidelijk een nieuw evenwicht.

Extra alertheid is nodig wanneer klachten langdurig, intens of ontregelend zijn, het dagelijks functioneren wordt belemmerd, meerdere risicofactoren aanwezig zijn of de draagkracht en draaglast uit balans raken. Signalen kunnen zijn:

  • aanhoudend verdriet, angst of somberheid;
  • sterke schuldgevoelens;
  • vermijding of emotionele verdoving;
  • lichamelijke klachten, slaapproblemen of eetproblemen;
  • terugtrekken uit sociale situaties;
  • problemen op school of met leren;
  • gevoelens van overbelasting.

Bij levend verlies kunnen daarnaast zorgen over de toekomst, onzekerheid over diagnose of prognose, schaamte, stigma, niet-erkende rouw, medische crises, intensieve zorgtaken en terugkerende confrontaties met ontwikkelingsmijlpalen het verlies en verdriet versterken.

De JGZ-professional beoordeelt deze signalen in samenhang met de draagkracht en draaglast van het kind en gezin, beschikbare steun, eventuele psychische of gezinsproblemen en de gevolgen voor het dagelijks functioneren. Bespreek met ouders/verzorgers wanneer het wenselijk is hulp in te schakelen. 

Bij aanhoudende of verergerende klachten, duidelijke beperkingen in het functioneren of zorgen over de veiligheid kan vervolgcontact, monitoring of verwijzing naar passende hulp nodig zijn. Wanneer een jonger zelfdestructief gedrag laat zien of een doodswens uit, is het belangrijk niet af te wachten. Dit vraagt om directe aandacht, beoordeling van de veiligheid en, indien nodig, verwijzing naar passende hulp.

De JGZ stelt geen DSM-diagnoses. De DSM-5-TR beschrijft wel een persisterende (‘aanhoudende’) rouwstoornis, waarbij rouw na een overlijden leidt tot ernstige lijdensdruk of beperkingen in het functioneren van het kind of jongere. Bij kinderen en adolescenten kan deze diagnose vanaf 6 maanden na het overlijden worden overwogen; bij volwassenen vanaf 12 maanden na het overlijden.

Heb je suggesties voor verbetering van deze Praktijkmodule?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen