8.6 Persisterende-rouwstoornis volgens DSM-5-TR

Praktijkmodule Rouw en verlies

Praktijkmodule Rouw en verlies

De persisterende-rouwstoornis is in de DSM-5-TR opgenomen als diagnose voor mensen bij wie na het overlijden van iemand met wie zij een nauwe band hadden een intense en aanhoudende rouwreactie bestaat. Deze rouwreactie veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het dagelijks functioneren. Bij volwassenen kan de diagnose pas worden gesteld wanneer het overlijden ten minste twaalf maanden geleden heeft plaatsgevonden. Bij kinderen en adolescenten geldt een termijn van ten minste zes maanden [19].

Volgens de DSM-5-TR moet sprake zijn van ten minste één van twee kernsymptomen: een intens verlangen naar of gemis van de overledene, of een aanhoudende preoccupatie met gedachten of herinneringen aan de overledene. Bij kinderen en adolescenten kan de preoccupatie ook betrekking hebben op de omstandigheden van het overlijden. Het kernsymptoom is gedurende ten minste de afgelopen maand bijna dagelijks en in klinisch significante mate aanwezig.

Daarnaast moeten gedurende ten minste de afgelopen maand bijna dagelijks en in klinisch significante mate ten minste drie van de volgende acht symptomen aanwezig zijn:

  • Identiteitsverstoring, bijvoorbeeld het gevoel dat een deel van de eigen identiteit met de overledene is verdwenen;
  • Een sterk gevoel van ongeloof over het overlijden;
  • Vermijding van herinneringen aan het feit dat de persoon is overleden;
  • Intense emotionele pijn die verband houdt met het overlijden;
  • Moeite om opnieuw deel te nemen aan het leven, bijvoorbeeld door problemen met sociale contacten, interesses of het maken van toekomstplannen;
  • Emotionele verdoving;
  • Het gevoel dat het leven zonder de overledene zinloos is;
  • Intense eenzaamheid of het gevoel los te staan van anderen.

De klachten moeten klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale, schoolse, beroepsmatige of andere belangrijke functioneren. Daarnaast moeten de duur en ernst van de rouwreactie duidelijk verder gaan dan op grond van de sociale, culturele of religieuze context wordt verwacht. De klachten mogen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis en mogen niet toe te schrijven zijn aan de fysiologische effecten van een middel, medicatie of somatische aandoening.

Voor de JGZ is het belangrijk om normale rouw niet onnodig te medicaliseren. Rouw kan langdurig aanwezig zijn en rond betekenisvolle momenten tijdelijk opnieuw sterker worden. 

Het vaststellen van een persisterende-rouwstoornis behoort niet tot de gebruikelijke preventieve taak van de JGZ. JGZ-professionals kunnen wel signalen van mogelijk persisterende of ontregelende rouw herkennen, het functioneren en het beloop volgen, risico- en beschermende factoren en de verhouding tussen draagkracht en draaglast inschatten en zo nodig toeleiden naar passende diagnostiek of hulpverlening. Dit kan bijvoorbeeld via de huisarts, jeugd-GGZ, een GZ-psycholoog, klinisch psycholoog of kinder- en jeugdpsychiater. Gespecialiseerde rouwbegeleiding kan daarnaast passend zijn voor ondersteuning, maar is niet in alle gevallen verantwoordelijk voor psychiatrische diagnostiek.

Heb je suggesties voor verbetering van deze Praktijkmodule?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen