7.2 Betrokkenheid ouders/verzorgers en jeugdigen

JGZ-richtlijn Pesten

JGZ-richtlijn Pesten

Pesten

Bij de herziening van de richtlijn is rekening gehouden met het cliëntenperspectief. De oudervertegenwoordiger van het cluster ‘Psychosociaal & Gedrag’ was actief betrokken bij de vergaderingen en heeft schriftelijk feedback gegeven op alle richtlijnmodules.

Knelpunten

  • Ouders/verzorgers

Daarnaast zijn ouders van kinderen (0-18 jaar) via sociale media benaderd om hun knelpunten over pesten bij de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) te delen. Op een online vragenlijst hebben 25 deelnemers gereageerd, waarvan het grootste deel (N=19) hoogopgeleid was. De meeste deelnemers waren ouders van pubers (11-18 jaar oud) (N=15). Meer dan de helft van de deelnemers (N=14) gaf aan dat hun kind ooit pestproblemen heeft gehad, maar geen van de ouders had deze problemen met de JGZ besproken.

Om ook het perspectief van ouders met kinderen met extra ondersteuningsbehoeften mee te nemen, zijn 25 ouders van kinderen met ontwikkelingsstoornissen bij leren en/of gedrag (via oudervereniging Balans) via dezelfde online vragenlijst betrokken. Meer dan de helft van deze deelnemers was hoogopgeleid (HBO/WO) (N=14) en de meeste waren ouders van pubers (11-18 jaar oud) (N=18). Uit deze vragenlijst kwam naar voren dat 14 deelnemers ooit pestproblemen bij hun kind hebben gehad. Slechts 3 van deze ouders hebben deze problematiek met de JGZ besproken, waarbij ze ontevreden waren over de kennis van de JGZ en het gebrek aan verdere begeleiding.

Verder werd een focusgroep georganiseerd voor het cluster ‘Psychosociaal & Gedrag’ met zes deelnemers, allen ouders van kinderen in uiteenlopende leeftijden: van 20 maanden tot 16 jaar. De deelnemers waren werkzaam in sectoren als onderwijs, maatschappelijk werk en kinderopvang, wat hen zowel persoonlijke als professionele inzichten gaf rondom pesten onder kinderen en de rol van de JGZ. 

Over het algemeen werd de school gezien als het eerste aanspreekpunt wanneer het om pestgedrag gaat. Ouders gaven aan dat zij in eerste instantie contact zoeken met de leerkracht of intern begeleider, en pas in tweede instantie eventueel met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige op school.

Bij cyberpesten is onder de ouders echter meer onzekerheid. Ze vragen zich af wie verantwoordelijk is voor het signaleren en aanpakken van online pestgedrag, zeker wanneer dit buiten schooltijd plaatsvindt. 

De informatiebehoefte van ouders richt zich vooral op praktische en toegankelijke ondersteuning. Zij willen graag inzicht en handvatten om signalen van cyberpesten te herkennen. Daarnaast is er behoefte aan praktische tips over mediagebruik en hoe ouders afspraken kunnen maken met hun kinderen over het gebruik van telefoons en sociale media. Ouders geven aan dat informatie per leeftijdsfase, bijvoorbeeld via folders of ouderavonden, hen zou helpen om beter voorbereid te zijn op deze uitdagingen.

  • Jeugdigen 

Het perspectief van jeugdigen werd ook gevraagd door middel van focusgroepen. De deelnemers waren 6 jeugdigen in de leeftijd van 13-20 jaar. Uit dit gesprek kwamen verschillende thema's naar voren die de jeugdigen belangrijk vonden:

Allereerst werd duidelijk dat pesten vaak al op de basisschool begint en niet altijd serieus wordt genomen. Op de middelbare school blijft het signaleren van pesten een uitdaging voor de jongere zelf. Jeugdigen gaven aan dat de grens tussen pesten, buitensluiten en ‘plagen’ voor hen vaak onduidelijk is. Dit zorgt ervoor dat ze soms twijfelen of het probleem bij henzelf ligt, wat het melden van pesten bemoeilijkt.

De rol van schoolpersoneel werd ook uitvoerig besproken. Mentoren en docenten spelen een sleutelrol in het herkennen en aanpakken van pesten volgens jeugdigen, maar missen soms de benodigde kennis of het handelingsperspectief om effectief op te treden. Vooral bij subtiele vormen van pesten of online pesten herkennen docenten het probleem niet altijd. Jeugdigen gaven aan dat vertrouwenspersonen of sectiehoofden vaak beter gepositioneerd zijn om te handelen dan alleen de mentor.

Het omgaan met meldingen van pesten bleek een ander belangrijk thema. Jeugdigen ervaren drempels om pesten te melden uit angst voor verergering van de situatie. Reacties zoals “ik heb het niet gezien, dus het is niet gebeurd” ondermijnen hun vertrouwen in het meldingsproces.

Daarnaast benadrukten jeugdigen het belang van preventie en nazorg. Alleen het stoppen van pesten is volgens hen onvoldoende; nazorg is essentieel om de gevolgen van pesten te verwerken. Preventieve maatregelen, zoals sociale vaardigheidstrainingen (bijvoorbeeld een “vriendencursus”), werden als nuttig beschouwd.

Tot slot kwamen er enkele praktische aanbevelingen naar voren. Jeugdigen adviseerden om pesters en gepeste niet in dezelfde klassen te plaatsen. Voorlichting over online pesten werd als noodzakelijk gezien. Ook werd het stimuleren van docenten om kleine, concrete acties te ondernemen, zoals het aanpassen van de klasindeling of het voeren van gesprekken, als belangrijk genoemd. Het hebben van duidelijke procedures en aanspreekpunten bij meldingen, zoals een vertrouwenspersoon of sectiehoofd, werd eveneens benadrukt.

Concept aanbevelingen

  • Ouders/verzorgers

Zodra de conceptversie van de richtlijn gereed was, zijn de aanbevelingen besproken in een focusgroep met ouders. Deze groep bestond uit drie deelnemers, allen ouders van kinderen in uiteenlopende leeftijden (van 2 tot 12 jaar). De deelnemers waren werkzaam in sectoren die nauw verbonden zijn met jeugd en opvoeding, zoals het onderwijs, maatschappelijk werk en de kinderopvang.

Over het algemeen vonden de ouders de aanbevelingen helder en waardevol. Wel gaven zij aan dat het belangrijk is om alle factoren die kunnen bijdragen aan probleemgedrag te benoemen bij de voorlichting aan ouders, en niet uitsluitend te focussen op agressief gedrag. Daarnaast benadrukten zij het belang van expliciete ouderlijke toestemming bij het opvragen van gegevens uit peuterspeelzalen. Ook vonden zij dat informatie van leerkrachten betrokken moet worden bij het signaleren van pestgedrag.

  • Jeugdigen 

Zodra de conceptversie van de richtlijn gereed was, zijn de aanbevelingen besproken in een focusgroep met jeugdigen. Deze groep bestond uit drie jeugdigen in de leeftijden 13-17 jaar oud.

De jeugdigen gaven aan dat voorlichting over pesten (op school) hen niet altijd aanspreekt en vaak oppervlakkig voelt. Jeugdigen krijgen vaak te horen wat ze níét moeten doen (zoals het versturen van nare berichten of foto's), maar er worden zelden concrete handvatten geboden voor wat ze kunnen doen als dit al is gebeurd en hoe ze daarmee om kunnen gaan. Ze stellen op prijs verhalen van jongvolwassenen die zelf ervaringen hebben met pesten of grensoverschrijdend gedrag. Om te zorgen dat de tips van professionals nuttig zijn, moeten deze herkenbaar zijn, bij hun eigen belevingswereld aansluiten en moet het duidelijk zijn hoe jeugdigen deze adviezen kunnen opvolgen. 

Bij het signaleren van pestgedrag gaven jeugdigen aan dat het belangrijk is om niet direct vragen te stellen over pesten, maar eerst context te bieden of een verhaal te vertellen. Een open vraag zoals “Is er iets dat je nog wil delen?” wordt als helpend ervaren, mits deze breed en niet dwingend is geformuleerd. Ook werd geadviseerd om te vragen naar het hebben van vrienden, zowel op school als daarbuiten, en om roddelen mee te nemen in de signalering. Zij praten liever met een vertrouwd persoon dan een vragenlijst in te vullen. Of zij iets durven te zeggen hangt sterk af van de manier waarop het onderwerp wordt gebracht. Ook benoemden zij dat bellen om hulp te vragen als spannend wordt ervaren, waardoor zij dit liever vermijden. 

Ouders en mentoren worden vaak als eerste aanspreekpunt gezien bij pestproblemen (op school), mits er sprake is van vertrouwen. Tegelijkertijd benadrukten jeugdigen dat niet ieder gezin een veilige thuissituatie kent. Daarom is het belangrijk dat zij de mogelijkheid krijgen om zélf een vertrouwenspersoon te kiezen die hen kan ondersteunen in gesprekken, bijvoorbeeld met school of de JGZ. Jeugdigen ervaren de school niet altijd als veilige omgeving om pesten te signaleren – leraren kunnen bevooroordeeld zijn en de pesters zijn daar vaak ook aanwezig.

Ook bij het aanpakken van pesten gaven jeugdigen aan dat zij liever een volwassene die zij vertrouwen bij hebben, wat niet per se een ouder hoeft te zijn. Voor hen is van belang dat duidelijk wordt uitgelegd wat voor soort begeleiding wordt geboden en wat jeugdigen kunnen verwachten. Ook moet helder zijn dat zij zelf keuzes mogen maken over het vervolgtraject.
Jeugdigen gaven de voorkeur aan persoonlijk contact, bijvoorbeeld met een JGZ-professional, omdat dit meer indruk maakt dan een informatiefolder. Daarnaast waarderen zij het als informatie na afloop van een gesprek beschikbaar is om terug te lezen, omdat er tijdens gesprekken vaak veel wordt gedeeld.

De door ouders/verzorgers en jeugdigen aangedragen punten zijn verwerkt in de richtlijn:

  • De knelpunten zijn opgenomen in de overwegingen (zie ‘Van bewijs naar aanbeveling’);
  • Op basis van hun input op de conceptaanbevelingen zijn deze aangevuld en aangescherpt;

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen