Let op: deze richtlijn is momenteel in herziening.
Dit betekent niet dat de inhoud van deze richtlijn incorrect is. Tot de herziening blijft de richtlijn leidend voor de praktijk. Wel bestaat er een kans dat een deel van de informatie verouderd is.
Heb je feedback over deze JGZ-richtlijn? Vul dan het feedback formulier in op de introductie pagina van de richtlijn.
Dit document is bedoeld voor professionals in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en beoogt een richtlijn te zijn voor het handelen in hun contacten met jeugdigen en hun ouders/verzorgers. Dat zijn jeugdartsen, verpleegkundig specialisten, jeugdverpleegkundigen, doktersassistenten en preventief werkend logopedisten.
De JGZ-richtlijn taalontwikkeling sluit aan bij andere richtlijnen. Op sommige punten wordt in deze richtlijn verwezen worden naar één van deze richtlijnen, namelijk:
Opvoedondersteuning (2013);
Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen (2013);
Vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij kinderen en jongeren (0-18 jaar) (2016) (kortweg JGZ-richtlijn Gehoor);
Autismespectrumstoornissen (2015);
Psychosociale Problemen (2016)
In 2023 is de richtlijn Taalontwikkeling in het kader van een pilot Modulaire vormgeving JGZ richtlijnen, omgezet in modules. Deze modules ziet u hier uitgewerkt.
In 2023 zijn, naar aanleiding van het project Zorg op Afstand, aanbevelingen toegevoegd aan deze richtlijn over hoe JGZ-professionals beeldbellen kunnen inzetten op het onderwerp Taalontwikkeling.
De belangrijkste wijzigingen in 2023 zijn:
De Van Wiechen filmpjes kunnen door ouders worden gebruikt om zelf een indruk te verkrijgen van de ontwikkeling van hun kind. Bespreek de resultaten bij het volgende contact.
Conform het Landelijk Professioneel kader wordt samen met de ouder besloten welke vorm en moment geschikt is voor een moment van contact. Denk hierbij aan de optie van een beeldbelafspraak.
Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden de ouders het contact te laten voorbereiden m.b.v. deze filmpjes. Bespreek de resultaten tijdens het contact.
Per leeftijd staan de aandachtspunten benoemd als het contact via beeldbellen plaatsvindt.
De bijlagen 1 t/m5, over onderzoek in de JGZ, zijn aangepast met informatie uit Beeldbellen in de JGZ.
[1] Badcock NA, Bishop DVM, Hardiman MJ, Barry JG, Watkins KE. Co-localisation of abnormal brain structure and function in specific language impairment. Brain and language 2012;120(3):310-20
[2] Beitchman JH, Wilson B, Johnson CJ, Atkinson L, Young A, Adlaf E, Escobar M, Douglas L. Fourteen-year follow-up of speech/language-impaired and control children: psychiatric outcome. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry 2001;40(1):75-82
[5] Bishop DV, North T, Donlan C. Genetic basis of specific language impairment: evidence from a twin study. Developmental medicine and child neurology 1995;37(1):56-71
[6] Blackwell A.K.M., Harding S., Babayigit S., Roulstone S.. Characteristics of parent-child interactions: A systematic review of studies comparing children with primary language impairment and their typically developing peers. Communication Disorders Quarterly 2014;36 (2)():56
[9] Bon I., Sanders T.. Handleiding Boekenpret 0-2 jaar 2004
[10] van den Broek P, Rach GH, Zielhuis GA. [Is otitis media with effusion harmful for language development in young children]. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 1988;132(41):1885-8
[11] Bronkhorst J.B.M., Eimers T., Embrechts M.. Spraak, taal en leren 2011;5(Springer Science & Business Media.):
[12] Brownlie EB, Jabbar A, Beitchman J, Vida R, Atkinson L. Language impairment and sexual assault of girls and women: findings from a community sample. Journal of abnormal child psychology 2007;35(4):618-26
[13] Broomfield J, Dodd B. Is speech and language therapy effective for children with primary speech and language impairment? Report of a randomized control trial. International journal of language & communication disorders 2011;46(6):628-640
[14] Brownlie EB, Beitchman JH, Escobar M, Young A, Atkinson L, Johnson C, Wilson B, Douglas L. Early language impairment and young adult delinquent and aggressive behavior. Journal of abnormal child psychology 2004;32(4):453-67
[15] Buekers R., Degens H.. Classificatie van kinderen met taalontwikkelingsstoornissen op het Audiologisch Centrum Stem-, Spraak- en Taalpathologie 2011;15():53
[16] Burger E, van de Wetering M., van Weerdenburg M.. Kinderen met specifieke taalstoornissen. (Be)handelen en begeleiden in zorg en onderwijs. 2012
[17] Buschmann A,, Multhauf B., Hasselhorn M., Pietz J. Long-term effects of a parent-based language intervention on language outcomes and working memory for late-talking toddlers. Journal of Early Intervention 2015;37(2)():175
[19] Chung C-Y, Liu W-Y, Chang C-J, Chen C-L, Tang SF-T, Wong AM-K. The relationship between parental concerns and final diagnosis in children with developmental delay. Journal of child neurology 2011;26(4):413-9
[20] Cirrin FM, Gillam RB. Language intervention practices for school-age children with spoken language disorders: a systematic review. Language, speech, and hearing services in schools 2008;39(1):S110-37
[21] Clegg J, Hollis C, Mawhood L, Rutter M. Developmental language disorders--a follow-up in later adult life. Cognitive, language and psychosocial outcomes. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2005;46(2):128-49
[22] Collisson BA, Graham SA, Preston JL, Rose MS, McDonald S, Tough S. Risk and Protective Factors for Late Talking: An Epidemiologic Investigation. The Journal of pediatrics 2016;172():168-174.e1
[23] Colmar S.H.. A parent-based book-reading intervention for disadvantaged children with language difficulties. Child Language Teaching and Therapy 2014;30(1)( ):79
[24] Conti-Ramsden G, Mok PLH, Pickles A, Durkin K. Adolescents with a history of specific language impairment (SLI): strengths and difficulties in social, emotional and behavioral functioning. Research in developmental disabilities 2013;34(11):4161-9
[25] Conti-Ramsden G, Simkin Z, Botting N. The prevalence of autistic spectrum disorders in adolescents with a history of specific language impairment (SLI). Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2006;47(6):621-8
[26] Dale PS, Simonoff E, Bishop DV, Eley TC, Oliver B, Price TS, Purcell S, Stevenson J, Plomin R. Genetic influence on language delay in two-year-old children. Nature neuroscience 1998;1(4):324-8
[27] de Koning HJ, de Ridder-Sluiter JG, van Agt HME, Reep-van den Bergh CMM, van der Stege HA, Korfage IJ, Polder JJ, van der Maas PJ. A cluster-randomised trial of screening for language disorders in toddlers. Journal of medical screening 2004;11(3):109-16
[28] Diepeveen FB, van Dommelen P, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Concise tool based on language milestones identifies children with specific language impairment at 24-45 months of age. Acta paediatrica (Oslo, Norway : 1992) 2018;107(12):2125-2130
[29] Diepeveen FB, van Dommelen P, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Specific language impairment is associated with maternal and family factors. Child: care, health and development 2017;43(3):401-405
[30] Diepeveen FB, De Kroon MLA, Dusseldorp E, Snik AFM. Among perinatal factors, only the Apgar score is associated with specific language impairment. Developmental medicine and child neurology 2013;55(7):631-5
[31] Diepeveen FB, Dusseldorp E, Bol GW, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Failure to meet language milestones at two years of age is predictive of specific language impairment. Acta paediatrica (Oslo, Norway : 1992) 2016;105(3):304-10
[32] Diepeveen F.B., Dusseldorp E., Carmiggelt E.C., Uilenburg N., Verkerk P.H.. De predictieve validiteit van de handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden’. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016;48():26
[34] Durkin K., Conti-Ramsden G.. Young people with specific language impairment: A review of social and emotional functioning in adolescence. Child Language Teaching and Therapy 2010;26():105
[35] Finlay JCS, McPhillips M. Comorbid motor deficits in a clinical sample of children with specific language impairment. Research in developmental disabilities 2013;34(9):2533-42
[36] Flapper BCT, Schoemaker MM. Developmental coordination disorder in children with specific language impairment: co-morbidity and impact on quality of life. Research in developmental disabilities 2013;34(2):756-63
[37] Fukkink R., Jilink L., Oostdam R.. Met een blik op de toekomst. Een meta-analyse van de effecten van VVE op de ontwikkeling van kinderen in Nederland. 2015
[42] Hadley PA, Rice ML. Conversational responsiveness of speech- and language-impaired preschoolers. Journal of speech and hearing research 1991;34(6):1308-17
[43] Harrison LJ, McLeod S. Risk and protective factors associated with speech and language impairment in a nationally representative sample of 4- to 5-year-old children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2010;53(2):508-29
[44] Hayiou-Thomas ME. Genetic and environmental influences on early speech, language and literacy development. Journal of communication disorders 2008;41(5):397-408
[45] Hayiou-Thomas ME, Dale PS, Plomin R. Language impairment from 4 to 12 years: prediction and etiology. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2014;57(3):850-64
[50] Huttenlocher J, Vasilyeva M, Waterfall HR, Vevea JL, Hedges LV. The varieties of speech to young children. Developmental psychology 2007;43(5):1062-83
[51] Johnson CJ, Beitchman JH, Brownlie EB. Twenty-year follow-up of children with and without speech-language impairments: family, educational, occupational, and quality of life outcomes. American journal of speech-language pathology 2010;19(1):51-65
[52] Knuijt S., Sondaar M.. De spraak-taalontwikkeling van ex-premature kinderen op de leeftijd van vijf jaar. Tijdschrift voor kindergeneeskunde 2001;69 (2)():159
[53] Korpilahti P, Kaljonen A, Jansson-Verkasalo E. Identification of biological and environmental risk factors for language delay: The Let's Talk STEPS study. Infant behavior & development 2016;42():27-35
[54] Kruythoff-Broekman A., Wiefferink K., Uilenburg N.. Effectiviteit van Target Word bij ‘late talkers’. Een onderzoek naar het effect van het Hanen ouderprogramma Target Word op de taalontwikkeling van ‘late talkers’. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016;48 (6)():134
[55] Laurent de Angulo M.S., Brouwers-de Jong E.A., Bijlsma-Schlösser J.F.M., Bulk-Bunschoten A.M.W., Pauwels A.H.W., Steinbuch-Linstra I.. Ontwikkelingsonderzoek in de Jeugdgezondheidszorg. Het Van Wiechenonderzoek, De Baecke-Fassaert Motoriektest. 2008
[56] Law J, Boyle J, Harris F, Harkness A, Nye C. Prevalence and natural history of primary speech and language delay: findings from a systematic review of the literature. International journal of language & communication disorders 2000;35(2):165-88
[57] Law J, Boyle J, Harris F, Harkness A, Nye C. The feasibility of universal screening for primary speech and language delay: findings from a systematic review of the literature. Developmental medicine and child neurology 2000;42(3):190-200
[58] Law J, Garrett Z, Nye C. The efficacy of treatment for children with developmental speech and language delay/disorder: a meta-analysis. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2004;47(4):924-43
[59] Leseman P., Veen A.. Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen. Resultaten uit het pre-COOL cohortonderzoek. 2016
[60] Lindsay G, Dockrell JE, Strand S. Longitudinal patterns of behaviour problems in children with specific speech and language difficulties: child and contextual factors. The British journal of educational psychology 2007;77(Pt 4):811-28
[64] Luinge M.R.. Taalontwikkeling van kinderen. In: Van baby tot kleuter; over de indrukwekkende en veelzijdige ontwikkeling van kinderen van 0-4. 2015
[65] McArthur GM, Hogben JH, Edwards VT, Heath SM, Mengler ED. On the "specifics" of specific reading disability and specific language impairment. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2000;41(7):869-74
[66] McLeod S, Harrison LJ. Epidemiology of speech and language impairment in a nationally representative sample of 4- to 5-year-old children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2009;52(5):1213-29
[67] Miniscalco C, Nygren G, Hagberg B, Kadesjö B, Gillberg C. Neuropsychiatric and neurodevelopmental outcome of children at age 6 and 7 years who screened positive for language problems at 30 months. Developmental medicine and child neurology 2006;48(5):361-6
[68] Mol S.E., Bus A.G., de Jong M.T., Smeets D.J.H.. Added value of dialogic parent-child book readings: A meta-analysis. Early Education and Development 2008;19(1)():7
[70] Needlman R, Silverstein M. Pediatric interventions to support reading aloud: how good is the evidence? Journal of developmental and behavioral pediatrics : JDBP 2004;25(5):352-63
[71] Nelson HD, Nygren P, Walker M, Panoscha R. Screening for speech and language delay in preschool children: systematic evidence review for the US Preventive Services Task Force. Pediatrics 2006;117(2):e298-319
[73] Oudgenoeg-Paz O., Leseman P.. Validering van de VLOT Omgevingsanalyse: Eindrapportage. 2017
[74] Pijpers F, Uilenburg N., Carmiggelt B., Romeijn H., Spoor D., Stam E.. Uniforme signalering taalachterstanden bij jonge kinderen. Verslag van de pilot. 2013
[77] de Ridder J.G., van der Stege H.A., van Agt H.M.E., de Koning H.J., Verhoeven L.T.W.. VTO taal 2-jarigen: handleiding. 2006
[78] Roberts JE, Rosenfeld RM, Zeisel SA. Otitis media and speech and language: a meta-analysis of prospective studies. Pediatrics 2004;113(3 Pt 1):e238-48
[79] Roberts MY, Kaiser AP. The effectiveness of parent-implemented language interventions: a meta-analysis. American journal of speech-language pathology 2011;20(3):180-99
[81] Roth C, Magnus P, Schjølberg S, Stoltenberg C, Surén P, McKeague IW, Davey Smith G, Reichborn-Kjennerud T, Susser E. Folic acid supplements in pregnancy and severe language delay in children. JAMA 2011;306(14):1566-73
[82] Sansavini A, Guarini A, Justice LM, Savini S, Broccoli S, Alessandroni R, Faldella G. Does preterm birth increase a child's risk for language impairment? Early human development 2010;86(12):765-72
[83] Scheele A.F., Leseman P.P.M., Mayo A.Y.. The home language environment of mono- and bilingual children and their language proficiency. Applied Psycholinguistics 2010;31():117
[84] Schoon I, Parsons S, Rush R, Law J. Children's language ability and psychosocial development: a 29-year follow-up study. Pediatrics 2010;126(1):e73-80
[85] Schulting J., Krijnen W., van der Schans C.P., Dieleman L., Luinge M.R.. Beïnvloedende factoren op de taalontwikkeling van 2-jarige kinderen. 2016
[86] Shriberg LD, Tomblin JB, McSweeny JL. Prevalence of speech delay in 6-year-old children and comorbidity with language impairment. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 1999;42(6):1461-81
[87] Slaughter V, Peterson CC, Mackintosh E. Mind what mother says: narrative input and theory of mind in typical children and those on the autism spectrum. Child development 2007;78(3):839-58
[88] Smith C., Gibbard D. aby talk home visits: Development and initial evaluations of a primary prevention service. Child Language Teaching and Therapy 2011;27 (1)():68
[89] Stanton-Chapman TL, Chapman DA, Bainbridge NL, Scott KG. Identification of early risk factors for language impairment. Research in developmental disabilities 2002;23(6):390-405
[90] Stephan M., Diender M., Uilenburg N., Wiefferink C.H.. Verwijzing van kinderen met een taalachterstand naar een audiologisch centrum. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2015;47(5):96
[91] Tomblin JB, Zhang X, Buckwalter P, O'Brien M. The stability of primary language disorder: four years after kindergarten diagnosis. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2003;46(6):1283-96
[92] Tomblin JB, Records NL, Buckwalter P, Zhang X, Smith E, O'Brien M. Prevalence of specific language impairment in kindergarten children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 1997;40(6):1245-60
[94] Unsworth S.. Assessing the role of current and cumulative exposure in simultaneous bilingual acquisition: The case of Dutch gender. Bilingualism: Language and Cognition 2013;16():86
[95] van Agt HME, van der Stege HA, de Ridder-Sluiter H, Verhoeven LTW, de Koning HJ. A cluster-randomized trial of screening for language delay in toddlers: effects on school performance and language development at age 8. Pediatrics 2007;120(6):1317-25
[96] van Denderen-Lubbers M., Wiefferink C.H., van Schie C.M.J., Rip R., Uilenburg N.. Signaleren van taalontwikkelingsstoornissen bij meertalig opgevoede kinderen. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2014;46(4):71
[98] van Schie C., Rip R., van Denderen M., Wiefferink K., Uilenburg N.. Tijdig signaleren van spraak-taalproblemen bij JGZ Kennemerland. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2011;43(3):50
[99] Veer I, Luyten H., van Tuijl C., Sleegers P.. Effectonderzoek pilot startgroepen voor peuters. Universiteit Twente. 2016
[100] Vernes SC, Newbury DF, Abrahams BS, Winchester L, Nicod J, Groszer M, Alarcón M, Oliver PL, Davies KE, Geschwind DH, Monaco AP, Fisher SE. A functional genetic link between distinct developmental language disorders. The New England journal of medicine 2008;359(22):2337-45
[101] Visscher C, Houwen S, Scherder EJA, Moolenaar B, Hartman E. Motor profile of children with developmental speech and language disorders. Pediatrics 2007;120(1):e158-63
[102] Visser-Bochane MI, Gerrits E, van der Schans CP, Reijneveld SA, Luinge MR. Atypical speech and language development: a consensus study on clinical signs in the Netherlands. International journal of language & communication disorders 2017;52(1):10-20
[103] Wallace IF, Berkman ND, Watson LR, Coyne-Beasley T, Wood CT, Cullen K, Lohr KN. Screening for Speech and Language Delay in Children 5 Years Old and Younger: A Systematic Review. Pediatrics 2015;136(2):e448-62
[104] Ward S. An investigation into the effectiveness of an early intervention method for delayed language development in young children. International journal of language & communication disorders 1999;34(3):243-64
[105] Weizman ZO, Snow CE. Lexical input as related to children's vocabulary acquisition: effects of sophisticated exposure and support for meaning. Developmental psychology 2001;37(2):265-79
[106] Wiefferink K., Rieffe C.. Sociaal-emotioneel functioneren van kinderen met ernstige spraak-/taalmoeilijkheden. Logopedie & Foniatrie 2012;84(2):40
[107] Wilson P, McQuaige F, Thompson L, McConnachie A. Language delay is not predictable from available risk factors. TheScientificWorldJournal 2013;2013():947018
[108] Zielhuis GA, Rach GH, van den Broek P. Screening for otitis media with effusion in preschool children. Lancet (London, England) 1989;1(8633):311-4
[109] Zubrick SR, Taylor CL, Christensen D. Patterns and Predictors of Language and Literacy Abilities 4-10 Years in the Longitudinal Study of Australian Children. PloS one 2015;10(9):e0135612
[110] Zuckerman B, Khandekar A. Reach Out and Read: evidence based approach to promoting early child development. Current opinion in pediatrics 2010;22(4):539-44
[111] Visser-Bochane MI, van der Schans CP, Krijnen WP, Reijneveld SA, Luinge MR. Validation of the Early Language Scale. European journal of pediatrics 2021;180(1):63-71
Dit document is bedoeld voor professionals in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en beoogt een richtlijn te zijn voor het handelen in hun contacten met jeugdigen en hun ouders/verzorgers. Dat zijn jeugdartsen, verpleegkundig specialisten, jeugdverpleegkundigen, doktersassistenten en preventief werkend logopedisten.
De JGZ-richtlijn taalontwikkeling sluit aan bij andere richtlijnen. Op sommige punten wordt in deze richtlijn verwezen worden naar één van deze richtlijnen, namelijk:
Opvoedondersteuning (2013);
Vroeg en/of small voor gestational age (SGA) geboren kinderen (2013);
Vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij kinderen en jongeren (0-18 jaar) (2016) (kortweg JGZ-richtlijn Gehoor);
Autismespectrumstoornissen (2015);
Psychosociale Problemen (2016)
In 2023 is de richtlijn Taalontwikkeling in het kader van een pilot Modulaire vormgeving JGZ richtlijnen, omgezet in modules. Deze modules ziet u hier uitgewerkt.
In 2023 zijn, naar aanleiding van het project Zorg op Afstand, aanbevelingen toegevoegd aan deze richtlijn over hoe JGZ-professionals beeldbellen kunnen inzetten op het onderwerp Taalontwikkeling.
De belangrijkste wijzigingen in 2023 zijn:
De Van Wiechen filmpjes kunnen door ouders worden gebruikt om zelf een indruk te verkrijgen van de ontwikkeling van hun kind. Bespreek de resultaten bij het volgende contact.
Conform het Landelijk Professioneel kader wordt samen met de ouder besloten welke vorm en moment geschikt is voor een moment van contact. Denk hierbij aan de optie van een beeldbelafspraak.
Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden de ouders het contact te laten voorbereiden m.b.v. deze filmpjes. Bespreek de resultaten tijdens het contact.
Per leeftijd staan de aandachtspunten benoemd als het contact via beeldbellen plaatsvindt.
De bijlagen 1 t/m5, over onderzoek in de JGZ, zijn aangepast met informatie uit Beeldbellen in de JGZ.
Originele richtlijn Taalontwikkeling
Voor het bekijken van de oorspronkelijke richtlijn aangevuld met de tekst van Zorg op afstand – Beeldbellen in de JGZ zie Aangepaste richtlijn Taalontwikkeling
1.1 Leeswijzer
Deze richtlijn beschrijft in de kennismodule alle achtergronden van de taalontwikkeling: de normale ontwikkeling, de ontwikkelingsachterstand en de problemen die hierbij kunnen optreden en de gevolgen hiervan voor het dagelijks leven. Ook worden hier de risico- en beschermende factoren aan de orde voor het ontwikkelen van taalachterstand benoemd.(2.4) evenals preventieve adviezen en begeleiding die de JGZ kan geven om taalachterstand te voorkomen of te verminderen (2.2). Sectie 3 heeft als onderwerp het volgen en signaleren van kinderen met een (vermoeden van) taalachterstand door de JGZ. In sectie 4 worden aanbevelingen gedaan voor het maken van afspraken tussen de JGZ en andere partijen waarmee wordt samengewerkt in het kader van de preventie van taalachterstand.
1.2 Afkortingen en begrippen
Afkortingen
ADHD
Attention Deficit Hyperactivity Disorder
AJN
Jeugdartsen Nederland
ASS
Autismespectrumstoornis
BI
Betrouwbaarheidsinterval (epidemiologische term)
CDI
Communicative Development Inventories (instrument)
ELS-NL
Nederlandstalige Early Language Scale
FENAC
Federatie van Nederlandse Audiologische Centra
FOSS
Nederlandse Federatie van Ouders van Slechthorende kinderen en van kinderen met Spraak-taalmoeilijkheden
Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation
JGZ
Jeugdgezondheidszorg
LDS
Language Development Survey (instrument)
N-CDI
N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling
NCJ
Nederlands Centrum Jeugdgezondheid
NHG
Nederlands Huisarts Genootschap
NJi
Nederlands Jeugdinstituut
NRT
Nonsenswoord repetitietaak (instrument)
NVLF
Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie
OME
Otitis media met effusie
OR
Odds ratio (epidemiologische term)
PICO
Methode voor het structureren van onderzoeksvragen: P = problem, I = intervention, C = comparison, O = outcome
PPVT
Peabody-picture-vocabulary-test
RAC
Richtlijnadviescommissie
RCT
Randomized controlled trial (studieopzet)
SES
Sociaaleconomische status
SNEL
Spraak- en taal Normen Eerste Lijns gezondheidszorg (instrument)
TOA
Taalontwikkelingsachterstand
TOS
Taalontwikkelingsstoornis
V&VN
Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
VLOT
Vragenlijst Ouders en Taalinput
VTO-Taal
Vroegtijdige Opsporing van Taalstoornissen (instrument)
VVE
Voorschoolse – en Vroegschoolse Educatie
Begrippen
Kortdurende peuteropvang
Peuterspeelzaal of VVE
Secundaire taalontwikkelingsstoornis
Achterblijvende taalontwikkeling als gevolg van andere beperkingen zoals doofheid, contactstoornis of algehele ontwikkelingsachterstand
Spraakontwikkeling
Het leren waarnemen en produceren van klanken zoals die in een bepaalde taal voorkomen
Taalachterstand
Kinderen waarbij de taal achterblijft bij leeftijdsgenoten hebben een taalachterstand (d.w.z. TOS en/of TOA). Aanwijzingen voor een taalachterstand kunnen zich al voordoen op jonge leeftijd, bijvoorbeeld een baby die weinig brabbelt
Taalontwikkeling
Ontwikkeling van de woordenschat en het klanksysteem van de betreffende taal, en het verwerven van inzicht in grammatica en het feitelijk gebruik van taal om bijv. contact te maken of gevoelens over te brengen
Taalontwikkelingsachterstand
Langzame of vertraagde ontwikkeling van de taal op basis van onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod vanuit de omgeving
Taalontwikkelingsstoornis
Een taalontwikkelingsstoornis kenmerkt zich door een achterblijvende en afwijkende taalontwikkeling. De oorzaak ligt in een neurobiologisch defect. Er is geen duidelijke verklaring vanuit een afwijkend verloop van de (zintuiglijke) ontwikkeling van het kind, of onvoldoende taalaanbod. Deze stoornis wordt in de literatuur ook wel een primaire taalontwikkelingsstoornis genoemd
Verstaanbaarheid
Het helder en duidelijk uitspreken van woorden
2 Definities en Achtergrondinformatie
2.1 Normale taalontwikkeling
Achtergrond
Taalontwikkeling betreft de ontwikkeling van het taalbegrip, de woordenschat en het klanksysteem van de betreffende taal, het verwerven van inzicht in grammatica en het feitelijk gebruik van taal om bijvoorbeeld contact te maken of gevoelens over te brengen. In deze module wordt aangegeven wat wordt verstaan onder een normale taalontwikkeling.
2.1.1 Kernpunten
Er is een grote spreiding in de leeftijd waarop kinderen een mijlpaal in de taalontwikkeling bereiken, maar de volgorde van de mijlpalen is voor alle kinderen hetzelfde (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1.: Spreiding in de leeftijd waarop kinderen een mijlpaal in de taalontwikkeling bereiken
1. Begrip van tweewoordzinnen, 2. Wijzen naar lichaamsdelen, 3. Productie van ongeveer 10 woorden, 4. Begrip van opdrachtjes van driewoordzinnetjes, 5. Productie van tweewoordzinnen, 6. Productie van woordzinnen, 7. Productie van meerwoordzinnen, 8. Ongeveer 50% verstaanbaar, 9. Spontaan een verhaaltje vertellen, 10. Verhaaltje vertellen bij plaatjes, 11. Ongeveer 75% verstaanbaar, 12. Productie van samengestelde zinnen, 13. Ongeveer 100% verstaanbaar ([63]).
2.1.2 Ontwikkelingsfasen
De taalontwikkeling is voor een groot gedeelte gebonden aan een kritische periode: vanaf de geboorte tot ongeveer zeven jaar hebben kinderen een bijzonder vermogen om taal te leren. In de eerste 7 jaar worden in de hersenen verschillende functionele systemen gebouwd die samen het basissysteem voor taal vormen. Als dit basissysteem op de leeftijd van ongeveer 7 jaar niet goed ontwikkeld is, is dat vrijwel onomkeerbaar.
In het eerste levensjaar, de pre-verbale fase, communiceren kinderen en volwassenen vooral non-verbaal (oogcontact, mimiek, gebaren, aanraken, ruiken en proeven), maar ook verbaal (ouders praten tegen hun kind, kind en ouders imiteren geluiden en klanken). Op de leeftijd van 7 à 8 maanden begint de brabbelfase. Het kind gaat verschillende klanken achter elkaar zeggen waarbij de intonatie wordt afgewisseld (bijvoorbeeld dada, baba, gaga). Aan het einde van het eerste levensjaar herkennen kinderen woorden en beginnen ze te reageren op de betekenis van woorden, onder andere door te kijken en te wijzen.
In de vroeg linguale fase (1 jaar tot 2,5 jaar) lijkt voor de buitenwereld de taal van het kind echt op gang te komen. Het kind zet de stap van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik. In deze fase worden de eerste woorden geproduceerd en na verloop van tijd samengevoegd tot zinnetjes van twee of drie woorden. Ook de passieve woordenschat breidt zich flink uit en de communicatieve interactie met de omgeving neemt sterk toe.
De periode van 30 tot 60 maanden (2,5 tot 5 jaar) wordt ook wel aangeduid als de differentiatiefase, waarin de woordenschat zich heel snel uitbreidt. Driejarigen begrijpen gemiddeld 1250 woorden en kunnen ongeveer 1000 woorden zeggen. Op vijfjarige leeftijd zijn dat respectievelijk 3500 en 3000 woorden. De grammaticale en klankontwikkeling maken ook een snelle groei door. Kinderen gaan in deze fase gebruikmaken van langere zinnen met meervoud, verkleinwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoordvervoegingen. De klankontwikkeling is rond de leeftijd van 3 jaar afgerond, het kind herkent dan alle klanken uit de moedertaal maar hoeft deze nog niet te kunnen produceren. In deze periode neemt ook de verstaanbaarheid van wat het kind zegt toe. Bij ‘verstaanbaarheid’ moet vooral worden gedacht aan het helder en duidelijk uitspreken van woorden. Op de leeftijd van 3 jaar is 50% tot 70% van wat het kind zegt verstaanbaar voor anderen, op vierjarige leeftijd is dat 75% tot 90%.
Vanaf de leeftijd van 5 à 6 jaar is er sprake van verfijning van het taalgebruik (met name de grammatica) en verdere uitbreiding van de woordenschat. Het kind gebruikt nu goedgevormde, samengestelde zinnen. De zinslengte en de woordvolgorde gaan steeds meer lijken op de taal van een volwassene.
Samenvatting en conclusie wetenschappelijk bewijs
Figuur 1.1. (sectie 2.1.1) laat zien wanneer welke mijlpaal door respectievelijk 10%, 50% en 90% van de kinderen bereikt wordt. Zo wordt mijlpaal 5, die de productie van tweewoordzinnen aangeeft, door 90% van de kinderen bereikt tussen de 15 en 25 maanden.
2.1.3 Meertalige ontwikkeling
In 2011 (laatst bekende cijfers) werd naar schatting in 16% van de Nederlands-Vlaamse gezinnen meer dan 1 taal gesproken. Naast het Nederlands werd thuis in de meeste gevallen 1 of meer andere westerse talen gesproken (68%), veel meer dan 1 of meer niet-westerse talen (19%)([69]). Kinderen leren dan meerdere talen naast elkaar (simultane taalverwerving) of de talen worden ná elkaar geleerd (successieve taalverwerving).
Simultane taalverwerving doet zich voor in gezinnen waarin beide ouders een verschillende moedertaal hebben die ze allebei met hun kinderen spreken. Wanneer een kind vanaf de geboorte voldoende taalaanbod krijgt in de talen waarmee het opgroeit, verloopt de ontwikkeling vrijwel gelijk aan die van ééntalige kinderen.
Een veelvoorkomende vorm van successieve taalverwerving is die van het migrantengezin: beide ouders komen als migrant naar Nederland toe en zullen het Nederlands niet altijd even goed leren beheersen. In de regel zullen kinderen in een migrantengezin starten met het verwerven van de taal van hun ouders en pas later de Nederlandse taal aanleren.
Samenvatting en conclusie wetenschappelijk bewijs
Figuur 1.1. (sectie 2.1.1) laat zien wanneer welke mijlpaal door respectievelijk 10%, 50% en 90% van de kinderen bereikt wordt. Zo wordt mijlpaal 5, die de productie van tweewoordzinnen aangeeft, door 90% van de kinderen bereikt tussen de 15 en 25 maanden.
2.2 Taalstimulering
Achtergrond
De JGZ geeft voorlichting over de normale taalontwikkeling, geeft (preventief) tips en adviezen aan ouders over hoe zij de taalontwikkeling van hun kind kunnen stimuleren en adviseert over mogelijkheden voor taalstimulering. Als er op grond van het onderzoek door de JGZ sprake is van twijfel over de taalontwikkeling dan vindt een vervolgtraject plaats door de preventief werkend logopedist of de jeugdverpleegkundige. Dit zorgt voor extra stimulering van de taalontwikkeling. Doel van de begeleiding is om de taalontwikkeling binnen een half jaar op niveau te brengen.
Van bewijs naar aanbeveling
Voor ouders zijn er bij deze richtlijn folders met tips voor taal en voorlezen beschikbaar. Voorlichting en adviezen aan ouders van meertalige kinderen zijn in principe hetzelfde als voor eentalige kinderen, met het verschil dat ouders het advies krijgen om de taal te gebruiken waarmee zijzelf het meest optimaal kunnen communiceren met hun kind. Niet alle ouders kunnen voorlezen of liedjes zingen met hun kind. Zoek dan samen met de ouders naar andere activiteiten die samen met het kind gedaan kunnen worden, zoals verhalen vertellen. Wijs ouders erop dat samen plaatjes kijken en erover vertellen ook een vorm van voorlezen is. Het kan positief en stimulerend zijn voor ouders om te horen dat een kind waarschijnlijk beter Nederlands zal leren als ze een andere taal (zoals het Arabisch, Tigrinya of Farsi) goed beheerst. Daarnaast worden ouders op die manier gestimuleerd om hun kind in aanraking te laten komen met de Nederlandse taal. Het is verder goed te beseffen dat veel ouders met een migratieachtergrond andere opvoeddoelen kunnen hebben. Het is voor veel Arabische of Afrikaanse ouders bijvoorbeeld niet gebruikelijk om met je kind te praten. Zij vinden Nederlandse kinderen vaak te mondig en brutaal. Kinderen moeten luisteren, niet praten. In grote gezinnen zijn het verder vaak de oudste zussen die de zorg voor de jongsten op zich nemen. Het kan dus van belang zijn om dat aspect te betrekken in de advisering over taalstimulering. Een tip over het aanpassen van de communicatie aan mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden is om de ‘terugvraagmethode’ (teach-backmethod) te gebruiken: “Ik wil graag weten of ik het goed heb uitgelegd. Kunt u mij vertellen wat we net hebben afgesproken?” Als deze methode consequent wordt toegepast kan de feedback leiden tot het anders uitleggen of vragen naar bepaalde zaken.
Als er bij professionals, leerkrachten of ouders zelf twijfel is over de taalontwikkeling, dan kan logopedie worden ingeschakeld. Sommige gemeenten en JGZ-organisaties hebben zelf logopedisten in dienst. Logopedisten geven voorlichting aan ouders, leerkrachten, kinderopvangmedewerkers tijdens bijvoorbeeld voorlichtingsavonden of in schoolkrantartikelen. Ook organiseren zij logopedische spreekuren bij Centra voor Jeugd en Gezin (nul- tot vierjarigen), op scholen (vier- tot twaalfjarigen) en voorscholen (twee- tot vierjarigen). De logopedist observeert het kind en de interactie tussen leerkrachten en pedagogisch medewerkers. Vervolgens geeft de logopedist advies op maat aan ouders of wordt een kortdurende begeleiding geadviseerd. Soms besluit de logopedist samen met de ouders dat behandeling of uitgebreider onderzoek nodig is. De logopedist kan ouders dan naar het juiste vervolgtraject verwijzen.
De preventief werkend logopedist is bij uitstek uitgerust voor de begeleiding bij twijfel over de taalontwikkeling, maar ook de jeugdverpleegkundige heeft hiervoor de benodigde competenties. De keuze welke professional de begeleiding verzorgt is afhankelijk van het klinische beeld, de inschatting van de jeugdarts of de verpleegkundig specialist, de wens van ouders en van de lokale situatie en de manier waarop de JGZ georganiseerd is.
Ouders van kinderen met een taalachterstand door onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod uit de omgeving of een verhoogd risico daarop worden in veel gemeenten geadviseerd hun kind naar een peuterspeelzaal met VVE te laten gaan om de taalontwikkeling te stimuleren. In 2016 concludeerde staatssecretaris Dekker (ministerie van OC&W) dat VVE zinvol is, onder de voorwaarde dat de educatieve kwaliteit hoog is. Deze conclusie werd getrokken op grond van onderzoeksresultaten die erop wijzen dat kinderen met een niet-westerse achtergrond en een andere thuistaal dan het Nederlands zich iets sneller te ontwikkelen in voorzieningen die opvang bieden van hoge kwaliteit ([59]; [99]); vaak zijn dit instellingen die VVE-beleid voeren. Kinderen van laagopgeleide moeders profiteerden niet van VVE ([59]). Tegelijkertijd werd uit het onderzoek duidelijk dat de educatieve kwaliteit van VVE voor verbetering vatbaar is ([59]; [99]). In 2016 werden daarom aanpassingen en aanscherpingen in het VVE-beleid aangekondigd; vooral gericht op verhogen van het taalniveau en de opleiding van pedagogisch medewerkers. Het effect van deze maatregelen is vooralsnog niet bekend.
Zie onderbouwing en samenvatting literatuur in Evidence van 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3.
Aanbevelingen
2.2.1 Algemene strategieën voor ouders om de taalontwikkeling te stimuleren
Tabel 9.1: Algemene strategieën voor ouders om de taalontwikkeling te stimuleren (Bron: www.groeigids.nl; www.ncj.nl).
0 tot 3 jaar:
Vertel steeds wat je aan het doen bent of hoe je je voelt en benoem voorwerpen. Bijvoorbeeld: ‘Ik vouw jouw pyjama op.’ ‘Wat is het lekker weer’. ‘Wat ben ik blij met jou’. Benoem ook voorwerpen waar het kind naar kijkt of waar het interesse voor heeft.
Kijk naar de gebaren en lichaamstaal van het kind. ‘Beloon’ communicatieve initiatieven van het kind, zoals wijzen en het gebruik van klanken.
Luister naar de woorden van het kind, terwijl je het aankijkt en geduldig wacht tot het is uitgesproken.
Probeer altijd te begrijpen wat het kind bedoelt.
Herhaal wat het kind zegt in correct gesproken moedertaal. Zegt het kind bijvoorbeeld ‘balle’, zeg dan: ‘Goed zo, een ballon.’ Zegt het kind ‘auto rijde’, zeg dan: ‘de auto rijdt’ en ‘de auto rijdt op de weg’.
Praat tegen het kind en geef het goede voorbeeld. Het is beter om geen kinderachtige taal of heel moeilijke taal te gebruiken, maar noem de dingen bij de juiste naam en gebruik correcte, het liefst korte zinnen. Dat wil zeggen dat je een hond geen ‘woefwoef’ noemt.
Blader samen met het kind door een plaatjesboek en ga in op de initiatieven van het kind en zijn reacties op het boek. Vertel ook zelf wat je ziet en moedig het kind aan om te vertellen wat het ziet, bijvoorbeeld door vragen te stellen. Prijs het kind als het antwoord probeert te geven, en herhaal wat het zei. Kinderen leren veel van korte gesprekjes. Het gaat in eerste instantie om het samen plezier beleven aan boekjes lezen.
Lees vaak samen met het kind, het liefst op een vast tijdstip (bijvoorbeeld voor het slapengaan).
Geef het kind de tijd om te reageren.
Laat het kind veel spelen met leeftijdsgenootjes.
3 en 4 jaar:
Praat veel met het kind, luister goed en beantwoord vragen. Stel zelf ook vragen, en vraag naar de mening van het kind.
Praat over wat jullie gaan doen.
Ga op vaste momenten met het kind in gesprek, zoals tijdens het eten en bij het naar bed gaan. Laat het kind vertellen wat het gedaan heeft en vertel ook wat jij gedaan hebt.
Speel veel spelletjes samen waarbij van beurt moet worden gewisseld. Rollenspellen zijn ook heel leerzaam.
Voer een dagelijks ritueel in, zoals samen lezen of een liedje zingen voor het slapengaan.
Lees regelmatig voor. Praat samen over het verhaaltje of laat je kind het navertellen.
Laat het kind veel spelen met leeftijdsgenootjes.
2.3 Taalachterstand
2.3.1 Kernpunten
Kinderen bij wie de taalontwikkeling achterblijft bij leeftijdsgenoten hebben een taalachterstand. De volgende mijlpalen moeten minimaal bereikt zijn op de volgende leeftijden:
Leeftijd
Mijlpalen die minimaal bereikt moeten zijn
Op de leeftijd van 2 jaar (24 maanden)
Begrip opdrachtjes van 2 woorden
Het kind begrijpt opdrachtjes van 2 woorden, zoals ‘jas aan’ of ‘papa boek’
Aanwijzen van lichaamsdelen
Het kind kan 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen. Bijvoorbeeld ‘Waar zit je neus?’
Productie van ongeveer 10 woordjes
Het kind zegt in totaal ongeveer 10 woordjes
Op de leeftijd van 2 jaar en 6 maanden (30 maanden)
Begrip zinnetjes van 3 woorden
Het kind begrijpt zinnetjes van 3 woorden, zoals ‘op de stoel’ of ‘in de tuin’.
Productie tweewoordzinnetje
Het kind kan 2 woordjes combineren, zoals ‘papa boek of ‘kijk poes’.
Op de leeftijd van 3 jaar (36 maanden)
Productie driewoordzinnetje
Het kind kan zinnetjes van 3 woorden maken, zoals ‘popje muts ophebben’ of ‘auto in garage’.
Op de leeftijd van 6 jaar (72 maanden)
Verstaanbaarheid
Het kind is goed verstaanbaar
Spontaan een verhaaltje vertellen
Het kind vertelt weleens spontaan een verhaaltje, bijvoorbeeld over wat het kind die dag heeft gedaan.
Verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes
Het kind kan een verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes
Samengestelde zinnen Het kind maakt ook heel lange zinnen, zoals ‘als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden’?
2. Een taalachterstand kan negatieve gevolgen hebben voor: ouder-kind relatie en andere sociale relaties, sociale acceptatie, risico op depressie, angststoornis, sociale fobie, schoolsucces en maatschappelijk functioneren
2.3.2 Achtergrond
Kinderen bij wie de taalontwikkeling achterblijft bij leeftijdsgenoten hebben een taalachterstand. Aanwijzingen voor een taalachterstand kunnen zich al voordoen op jonge leeftijd, bijvoorbeeld een baby die weinig brabbelt. Een taalachterstand kan worden veroorzaakt door een stoornis bij het kind of door onvoldoende taalaanbod uit de omgeving. Men spreekt dan respectievelijk van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of een taalontwikkelingsachterstand (TOA). Ook een combinatie is mogelijk.
Taalontwikkelingsstoornis (TOS)
Een taalontwikkelingsstoornis (TOS) kenmerkt zich door een achterblijvende én afwijkende taalontwikkeling. De oorzaak van TOS ligt in een neurobiologisch defect; er is geen duidelijke verklaring vanuit een afwijkend verloop van de (zintuiglijke) ontwikkeling van het kind of vanuit onvoldoende taalaanbod [38].
TOS wordt in de literatuur ook wel aangeduid als een primaire- of specifieke taalontwikkelingsstoornis. Wanneer de achterblijvende taalontwikkeling verklaard kan worden uit andere problematiek bij het kind, zoals de aanwezigheid van een ontwikkelingsachterstand, een autismespectrumstoornis (ASS) of een gehoorprobleem, spreken we van een secundaire- of niet-specifieke taalontwikkelingsstoornis (zie de JGZ-richtlijnen ‘Autismespectrumstoornissen’ en ‘Vroegtijdige opsporing van gehoorverlies bij kinderen en jongeren (0-18 jaar)’.
Hoewel de precieze oorzaak van TOS onduidelijk is, zijn er steeds meer aanwijzingen dat genetische factoren (o.a. Graham 2013) en afwijkingen in de hersenen (o.a. [1]) een rol spelen.
Symptomen van TOS kunnen liggen op het gebied van het taalbegrip en de taalproductie, de klankontwikkeling (fonologie), grammatica, woordenschat of het feitelijk gebruik van taal (pragmatiek). In Tabel 2.1 worden de mogelijke talige symptomen van TOS besproken. Kinderen met TOS kunnen alle symptomen hebben, maar ook 1 of enkele symptomen.
Tabel 2.1. Beschrijving van de verschillende taalgebieden en mogelijke problemen die daarbij kunnen optreden [61][64].
Taalgebied
Betekenis
Mogelijke problemen
Fonetiek (vorming van klanken)
Binnen de fonetiek wordt onderzocht hoe bijvoorbeeld de klank /p/ wordt gevormd (articulatie), uit welke eigenschappen de /p/ bestaat (luidheid, frequentie) en hoe deze klank wordt waargenomen door het oor.
Fonologische problemen kunnen bestaan uit het weglaten van klanken (bijv. wielen→ielen) of het verwisselen van klanken (bijv. pappa→paffa). De fonologische ontwikkeling hangt samen met de semantische ontwikkeling. Kinderen leren fonemen namelijk te onderscheiden op woordniveau.
Fonologie (klankleer)
De fonologie beschrijft welke spraakklanken in een taal onderscheiden worden, hoe deze met elkaar kunnen worden gecombineerd en welke processen daarmee samenhangen. Belangrijke vragen zijn hoe een kind de spraakklanken en klankpatronen leert die betekenisonderscheidend zijn in de moedertaal en hoe klanken elkaar kunnen beïnvloeden.
Foneem (klank)*
Een foneem is een klank met een betekenisonderscheidende functie in de taal zoals de /p/ en de /d/ in pak en dak.
Semantiek (betekenisleer)
Binnen de semantiek wordt onder andere onderzoek gedaan naar de passieve en actieve woordenschat, hoe kinderen woorden leren, de betekenis ervan ontdekken en dat opslaan in het brein (ook wel het mentale lexicon genoemd). Om een woord te leren, moet een kind zowel de klankcombinatie als de betekenis van dat woord leren. De woordvormen worden opgeslagen als klankcombinaties die vaak in de taal voorkomen. Dat is efficiënter dan van ieder woord apart de woordvorm op te slaan.
Kinderen met semantische stoornissen hebben moeite met het leggen of opslaan van verbanden tussen woordvormen en betekenissen. Ook hebben kinderen soms moeite met het ophalen van het juiste woord uit hun mentale lexicon. Voor kinderen met semantische stoornissen is het gebruik van werkwoorden (geven, krijgen) lastiger dan het gebruik van zelfstandige naamwoorden (bal, jas). Het gebruiken van werkwoorden kost namelijk meer geheugencapaciteit, omdat ook rekening gehouden moet worden met de mensen of objecten in een zin – naast het werkwoord. Bij kinderen met semantische stoornissen groeit de woordenschat langzamer dan die van kinderen met een normale ontwikkeling.
Syntaxis (zinsleer)
Syntaxis is het onderdeel van de grammatica waarin woorden tot woordgroepen en zinnen worden gerangschikt.
Kinderen met morfosyntactische stoornissen maken kortere zinnen, gebruiken minder zelfstandige werkwoorden en hebben moeite met het verbuigen of vervoegen van een zin.
Morfologie (woordvorming)
De morfologie is de studie naar kleine stukjes (morfemen) waaruit woorden kunnen worden opgebouwd.
Pragmatiek (taalgebruik)
Bij pragmatiek gaat het over de regels die nodig zijn voor het gebruiken van taal in sociale situaties.
Kinderen met pragmatische problemen kunnen bijvoorbeeld problemen hebben met het begrijpen en het voeren van gesprekken en het begrijpen en toepassen van taalstructuren.
* Voor de volledigheid toegevoegd, in de richtlijn blijft dit onderdeel buiten beschouwing.
In de literatuur worden prevalenties van TOS vermeld tussen de 5% en 12% bij kinderen in de leeftijd van 0 tot 7 jaar, waarbij TOS vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes [56]; [92]; [86].
Taalontwikkelingsachterstand (TOA)
Onder een taalontwikkelingsachterstand (TOA) wordt verstaan: een achterblijvendetaalontwikkeling als gevolg van onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod vanuit de omgeving – ofwel een ‘blootstellingsachterstand’. Zo hebben kinderen uit gezinnen waar thuis een andere taal dan het Nederlands wordt gesproken vaak een blootstellingsachterstand in het Nederlands. De thuistaal is dan wel goed ontwikkeld. Wanneer én het Nederlands én de thuistaal niet goed ontwikkeld zijn, is er meestal sprake van TOS. TOA kan voorkomen bij kinderen in hun thuistaal (ook bij kinderen waarvan de thuistaal Nederlands is), als het taalaanbod ontoereikend is en/of als de kwaliteit van het taalaanbod onvoldoende is. TOA komt volgens deskundigen in Nederland voor bij ongeveer 25% van de kinderen [69].
2.3.3 Gevolgen taalachterstand
Gevolgen van taalachterstand
Kinderen met TOS ondervinden vaker problemen in het dagelijks functioneren dan kinderen zonder TOS [11]; [106]. Begrijpen, spreken, contact maken en denken beïnvloeden elkaar namelijk voortdurend. Taalstoornissen kunnen de ouder-kindrelatie in negatieve zin veranderen en tot opvoedingsproblemen leiden. Taal is ook een belangrijk instrument voor het aangaan en continueren van andere sociale relaties, zoals vriendschappen. Vrienden besteden een groot deel van hun tijd samen aan praten met elkaar. Problemen in de taalontwikkeling kunnen dan ook leiden tot onbegrip en lagere kwaliteit van de vriendschap. Kinderen en adolescenten met TOS ervaren een lagere acceptatie, hebben minder vriendschappen, worden vaker gepest en zijn vaker angstig dan leeftijdsgenoten zonder TOS (o.a. [60]; [34]). Dit begint op zeer jonge leeftijd: al op driejarige leeftijd mijden leeftijdsgenootjes zonder taalproblemen verbale interacties met kinderen met TOS [42]. Kinderen met hardnekkige taalstoornissen hebben bovendien meer risico op het ontwikkelen van psychische stoornissen, zoals depressie, angststoornis en sociale fobie. (o.a. [24]).
Een taalachterstand op jonge leeftijd kan gevolgen hebben voor het maatschappelijk functioneren op volwassen leeftijd; het taalniveau bepaalt namelijk mede het schoolsucces en daarmee iemands positie in de maatschappij. Iemand die de taal onvoldoende beheerst om goed te leren lezen en schrijven, blijft laaggeletterd. Voor deze mensen is het moeilijk om talige informatie te begrijpen. Volwassenen met TOS hebben vaker een lager opleidingsniveau, zijn vaker werkloos, hebben vaker een sociale fobie en wonen vaker bij hun ouders [21]; [2]; [84]; [14]; [51].
Taalproblemen bij kinderen met TOS zijn hardnekkig; driekwart van de vijfjarigen met TOS heeft op twaalfjarige leeftijd nog steeds problemen [91]. De kans dat de problemen aanhouden is onafhankelijk van factoren als opleiding van de moeder, sociale status van het gezin en of het kind thuis wordt voorgelezen [109]. Het verloop is wel beïnvloedbaar door therapie. TOA heeft een goede prognose als het taalaanbod verbetert. Overlap met de groep kinderen van ouders met (zeer) beperkte gezondheidsvaardigheden – in Nederland is dat ruim een kwart van de volwassen populatie – is echter groot.
2.3.4 Samenvatting en conclusie wetenschappelijk bewijs
Mijlpalen
SNEL (Spraak- en taalNormen EersteLijns gezondheidszorg) (Luinge, 2005) is een instrument dat is bedoeld voor de opsporing van taalproblemen bij kinderen van 1 tot 6 jaar. Het instrument omvat een vragenlijst bestaande uit 14 gesloten vragen aan ouders/verzorgers. De vragen gaan over mijlpalen in de taalontwikkeling (Bijvoorbeeld: Maakt uw kind al zinnetjes van 2 woorden, zoals koekje eten?). Uitgangspunt voor de ontwikkeling van SNEL was dat de taalontwikkeling in fasen verloopt en kan worden beschreven op basis van (universele) mijlpalen; net zoals dat op basis van vertraging in de verwerving van dergelijke mijlpalen mogelijke taalproblemen gesignaleerd kunnen worden.
Voor de ontwikkeling van de SNEL is de normale taalontwikkeling in kaart gebracht. Dat is gebeurd door een steekproef uit te voeren bij 527 kinderen uit verschillende delen van Nederland, aan de hand van de vragenlijst van 26 vragen. Een schaalanalyse van deze vragenlijst op basis van de assumpties van het Mokken model resulteerde uiteindelijk in een schaal bestaande uit 14 vragen over mijlpalen in de taalontwikkeling, te weten SNEL. Deze 14 vragen waren volgens de schaalanalyse goed schaalbaar (H=0.95) en discrimineerden goed tussen verschillende fasen in de taalontwikkeling. Ook gaven deze vragen een interne betrouwbaarheid van 0.96. Voor de validatie van SNEL is geverifieerd of de uitkomsten van SNEL overeenkwamen met de uitkomsten van een uitgebreide taaltest – de Schlichting Test voor Taalproductie – bij 84 kinderen uit de steekproef. Daarnaast is ook bij ouders/verzorgers van 14 kinderen met een taalstoornis uit een klinische populatie de Schlichting Test voor Taalproductie en de vragenlijst van SNEL afgenomen. Uit de resultaten bleek dat de samenhang tussen SNEL en de uitgebreide taaltest voor taalproductie goed was, dat de sensitiviteit en specificiteit van SNEL voor het 10e percentiel respectievelijk 0.94 en 0.83 waren, en dat de accuraatheid om taalproblemen op te sporen 0.94 was.
SNEL-Vragen
1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijvoorbeeld ‘jas aan’, ‘papa boek’) 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen? (bijvoorbeeld ‘Waar zit je neus?’) 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? 4. Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden? (bijvoorbeeld ‘op de stoel’, ‘in de tuin’) 5. Kan uw kind twee woordjes combineren? (bijvoorbeeld ‘papa boek’ of ‘kijk poes’) 6. Kan uw kind zinnetjes van 3 woorden maken? (bijvoorbeeld ‘popje muts ophebben’, ‘auto in garage’) 7. Zet uw kind 3 tot 4 woorden achter elkaar? (bijvoorbeeld ‘ik koekje wil hebben’, ‘wij gaan ook zingen’) 8. Kunt u ongeveer de helft van uw kind verstaan? 9. Vertelt uw kind weleens spontaan een verhaaltje? (bijvoorbeeld over wat uw kind die dag heeft gedaan.) 10. Kan uw kind een verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes? 11. Kunt u ongeveer driekwart van uw kind verstaan? 12. Maakt uw kind ook lange zinnen? (bijvoorbeeld ‘Als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden.’) 13. Kunt u bijna alles van uw kind verstaan? 14. Praat uw kind als een volwassene qua taalgebruik, vindt u?
Ja = 1 Nee = 0
Leeftijd en SNELscore op het 10e percentiel:
Leeftijd (maanden)
SNELscore* op het 10e percentiel
12-17
0
18-19
1
20-21
2
22-24
3
25-26
4
27-29
5
30-32
6
33-36
7
37-41
8
42-46
9
47-54
10
55-64
11
65-82
12
*Snelscore is gebaseerd op het aantal mijlpalen in de taalontwikkeling dat beheerst wordt (zie ook SNEL-vragen). Als dit minder is dan het aantal op het 10e percentiel is er mogelijk een taalachterstand/afwijking. Op het 10e percentiel betekent ‘twijfel’ en boven het 10e percentiel betekent ‘in orde’.
2.4 Risico- en beschermende factoren
Achtergrond
Er zijn verschillende factoren die het risico op het ontwikkelen van een taalachterstand[1] kunnen beïnvloeden. We onderscheiden genetische factoren, en biologische en omgevingsfactoren.
[1] Overal waar in deze module ‘taalachterstand’ staat, wordt bedoeld: TOS en/of TOA. Zie ook sectie 2.3 Taalachterstand
2.4.1 Kernpunten
Tabel 2.1 Overzicht van genetische, biologische en omgevingsfactoren die in verband worden gebracht met een taalachterstand.
Aannemelijk
Mogelijk
Geen of onvoldoende bewijs
Risicofactor
Taalproblemen in de familie
Gedrags- of ontwikkelingsproblemen bij het kind
Meertalige opvoeding
Lage sociaaleconomische status van de ouders
Geen borstvoeding
Perinatale problemen (bijv. prematuriteit, laag geboortegewicht, complicaties bij geboorte)
Tweede kind of hoger
Mannelijk geslacht
Beschermende factor
Hogere mate van welbevinden bij de moeder
Informele speelafspraken met andere kinderen
Wordt dagelijks voorgelezen of kijkt een prentenboek
Bezoekt kinderopvang
Geen effect
Otitis Media met Effusie (OME, oftewel vocht achter het trommelvlies)*
*De praktijkervaring van logopedisten is dat kinderen met veelvuldig OME wellicht op een gegeven moment voldoende scoren op taalbegrips- en taalproductietesten, maar vaak nog problemen hebben met de auditieve vaardigheden (luistergerichtheid, discriminatie, luisterhouding).
2.5 Registreren
Uitgangsvraag
Welke gegevens moeten JGZ-professionals registeren in het kader van signaleren, begeleiden, verwijzen en samenwerking rondom taalproblemen (TOS en blootstellingsachterstand)?
Good practice statement
De JGZ vraagt na en registreert tijdens het eerste contact:
of er persistente taal- en/of leerproblemen bij ouder(s), broer(s) en/of zus(sen) zijn of zijn geweest;
of er bijzonderheden waren tijdens de zwangerschap van het kind en de geboorte (met name prematuriteit, laag geboortegewicht, complicaties bij geboorte);
de taal of talen die de ouder(s)/verzorger(s) met het kind spreken en het opleidingsniveau van de ouder(s)/verzorger(s).
Achtergrond
Als een kind de jeugdgezondheidszorg bezoekt, dan vermeldt de arts, verpleegkundige of doktersassistente de bevindingen die van belang zijn voor de begeleiding en ontwikkeling van dat kind in het dossier. Dit is een voorwaarde om kinderen gedurende hun hele jeugd te kunnen begeleiden.
Rationale
Er zijn in de literatuur aanwijzingen voor een duidelijke relatie tussen taalstoornissen in de familie (ouders, broers en zussen) en de ontwikkeling van TOS bij het kind (erfelijkheidsgraad 40-70%). De meest genoemde risicofactoren voor taalachterstand zijn: mannelijk geslacht, positieve familieanamnese, lage sociale status van de ouders en perinatale factoren (prematuriteit, laag geboortegewicht, complicaties bij geboorte). Voor onderbouwing zie sectie 2.4: Risicofactoren.
Een onvoldoende stimulerende taalomgeving wordt overwogen als de ouders geen of weinig Nederlands met het kind spreken, de ouders zelf het Nederlands onvoldoende beheersen, of de ouders een lage opleiding hebben. Onder een lage opleiding wordt in dit kader verstaan: maximaal een opleiding op lbo/vbo, praktijkonderwijs/lwoo of vmbo basis- of kaderberoepsgerichte leerweg niveau, of maximaal twee klassen/leerjaren onderwijs in een andere schoolopleiding in het voortgezet onderwijs aansluitend op het basisonderwijs. Verder kan aan de ouders worden gevraagd hoe zij hun eigen taalniveau inschatten (onvoldoende, redelijk of goed), al is dit niet altijd betrouwbaar omdat het niveau regelmatig te hoog wordt ingeschat [8]. Onder een redelijke tot goede beheersing van het Nederlands wordt hier verstaan: de ouder is minimaal te verstaan en begrijpt de boodschap in het Nederlands.
3 Signaleren, diagnostiek en verwijzen
3.1 Signaleren
Achtergrond
In Nederland zijn diverse instrumenten beschikbaar – veelal gebaseerd op mijlpalen – die speciaal bedoeld zijn om taalachterstand in een brede setting op te sporen. Pas bij voldoende hoge sensitiviteit en specificiteit van een instrument (>90%) kan een aandoening naar tevredenheid worden gesignaleerd. De sensitiviteit van een test is de kans dat degene met taalachterstand (TOS of TOA) een positieve testuitslag heeft; de specificiteit is de kans dat degene die geen taalachterstand heeft een negatieve testuitslag krijgt. Bij een lage specificiteit zullen dus relatief veel kinderen met een normaal verlopende taalontwikkeling worden doorverwezen voor nader onderzoek – met alle negatieve gevolgen van dien, zoals ongerustheid bij de ouders en extra kosten. Bij een lage sensitiviteit zullen relatief veel kinderen met een taalachterstand worden gemist. Sensitiviteit en specificiteit hangen met elkaar samen en met inachtneming van de situatie wordt gekozen voor een goede balans tussen beide
Van bewijs naar aanbeveling
Uit onderzoek komt naar voren dat het niet goed mogelijk is om aan de hand van risicofactoren te voorspellen of kinderen later een taalachterstand zullen ontwikkelen. Wel is duidelijk dat TOS vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. Ook wordt een sterke relatie (erfelijkheidsgraad 40-70%) met persistente taalproblemen bij ouders, broers en zussen gevonden. In de praktijk heeft ongeveer de helft van de kinderen met TOS 1 of meerdere familieleden (ouders, broers/zussen) met een taalprobleem.
Voor Nederland zijn verschillende instrumenten beschikbaar die speciaal bedoeld zijn om taalachterstand in een brede setting op te sporen:
VTO Taalinstrument [77]
SNEL [61]
ELS-NL [111].
Het VTO Taalinstrument heeft een sensitiviteit van 24-52% en een specificiteit van 97-98% [27]. Voor de SNEL zijn deze waarden naar schatting respectievelijk 94% en 83% [61]. Voor de ELS-NL werden waarden van 62% voor de sensitiviteit en 93% voor de specificiteit gevonden [111].
De VLOT is bedoeld als een hulpmiddel om in kaart te brengen of de taalomgeving van het kind voldoende stimulerend is, maar zou ook als signaleringsinstrument kunnen worden ingezet. Voor de VLOT als signaleringsinstrument worden waarden van respectievelijk 77% en 70% gerapporteerd [73]. Maar de werkgroep concludeert dat de bruikbaarheid van de VLOT voor de JGZ beperkt is vanwege de afnametijd; die is namelijk 5 á 10 minuten.
Op het moment van schrijven van de richtlijn werkten de meeste JGZ-organisaties volgens de handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen’ (2013) van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Hierin wordt een signaleringsmodel beschreven dat uitgaat van het Van Wiechenonderzoek, met daarin geïntegreerd het VTO Taalinstrument. Het Van Wiechenonderzoek wordt vrijwel overal in de JGZ gebruikt voor het monitoren en het signaleren van ontwikkelingsachterstanden in de brede zin, waaronder taalachterstand. Integratie van het VTO Taalinstrument in het Van Wiechenonderzoek is mogelijk omdat beide instrumenten bij kinderen van 24 maanden hetzelfde meten. Uit onderzoek komt naar voren dat de specificiteit van het signaleringsmodel zoals beschreven in de handreiking voor kinderen van 2 jaar oud 89% (95% BI 83-93%) is en de sensitiviteit 74% (95% BI 66-80%) [31]. Uitgaande van een prevalentie TOS van 7% levert dat een positief voorspellende waarde op van 27-56%, dat wil zeggen dat er bij de uitkomst ‘verwijzen’ een kans is van 27%-56% dat er sprake is van TOS [31].
Het NCJ heeft, samen met de Ned. Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind, een pilot uitgevoerd om de bruikbaarheid van het signaleringsmodel uit de handreiking in de praktijk te beproeven [74]. Voor het onderzoek hebben 4 JGZ-organisaties de nieuwe werkwijze uitgeprobeerd bij kinderen van 2 jaar oud. Daaruit bleek dat professionals het prettig vonden om duidelijke criteria te hebben voor verwijzing. Daarom beveelt de werkgroep aan dat JGZ-organisaties dit signaleringsmodel blijven (of gaan) gebruiken. Op basis van praktijkervaring voegde de werkgroep de aanbeveling toe om de taalontwikkeling ook bij alle kinderen van 3 jaar oud te beoordelen.
Aanvulling: Zorg op afstand – Beeldbellen in de JGZ
De Van Wiechen filmpjes zijn ontwikkeld naar aanleiding van een onderzoek waarbij ouders voorafgaand aan een contact bij de JGZ zelf de Van Wiechen-kenmerken scoorden aan de hand van schriftelijke uitleg van de kenmerken4. De overeenkomst tussen de beoordeling door de ouder en de JGZ-professional was hoog voor de communicatiekenmerken en wat lager op de grove motoriekkenmerken. Een van de aanbevelingen was om filmpjes te ontwikkelen om de uitvoering en beoordeling van de kenmerken te verduidelijken. In navolging op dit onderzoek zijn korte, eenvoudige filmpjes van de Van Wiechen-kenmerken ontwikkeld zodat ouders deze kunnen uitvoeren met hun kind. Het doel van de filmpjes is dat ouders en JGZ-professionals gelijkwaardiger in gesprek met elkaar gaan over de ontwikkeling van het kind. De filmpjes zijn niet bedoeld als vervanging van de beoordeling door de professional. De filmpjes zijn tijdens de COVID-19 pandemie ingezet, voornamelijk bij niet fysieke contactmomenten. JGZ-professionals en ouders waren positief over het gebruik van de filmpjes5. Voor 11/62 onderzochte kenmerken lagen de slagingspercentages door ouders minimaal 5% hoger of lager dan de referentiewaarden. Nader validatieonderzoek is nodig waarbij de antwoorden van ouders een-op-een worden vergeleken met die van de JGZ-professionals.
Wanneer het vermoeden bestaat dat de taalontwikkeling bij een kind niet goed verloopt, is het belangrijk om te onderzoeken wat de oorzaak kan zijn. Kinderen met TOS hebben andere begeleiding en behandeling nodig dan kinderen met TOA. Datzelfde geldt ook voor kinderen bij wie een ander probleem op de voorgrond staat (bijvoorbeeld vermoeden ASS, algehele ontwikkelingsachterstand). Bij geconstateerde taalachterstand of bij twijfels over de taalontwikkeling neemt de JGZ daarom een specifieke anamnese af en vindt lichamelijk onderzoek door de jeugdarts plaats. Zo nodig wordt hiervoor een extra contactmoment afgesproken.
Aanvulling: Zorg op afstand – Beeldbellen in de JGZ
Contact via beeldbellen
Zie voor algemene informatie de generieke module ‘Beeldbellen in de JGZ’. Conform het Landelijk Professioneel kader wordt samen met de ouder besloten welke vorm en moment geschikt is voor een moment van contact. Denk hierbij aan de optie van een beeldbelafspraak. Voordelen voor ouders van beeldbellen kunnen zijn dat het aansluit bij hun belevingswereld, het bespaart reistijd, en het is makkelijker te combineren met werk, overige kinderen of andere afspraken. Voor de JGZ-professional geeft het meer inzicht in de thuissituatie en biedt beeldbellen de mogelijkheid om ouder en kind in de eigen omgeving te zien. Mogelijke nadelen van beeldbellen zijn dat een kind mogelijk verlegen is en weinig tot niets zegt, al kan dit ook tijdens een face-to-face contactmoment spelen. Tevens mist de professional de spontane spraak in de wacht- of spreekkamer. Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden dat ouders vooraf naar de ontwikkeling van hun kind kijken met behulp van de Van Wiechen filmpjes. De JGZ-professional bespreekt de resultaten van de filmpjes en vraagt of ouders zorgen hebben over de taalontwikkeling van hun kind. Veel relevante ontwikkelingskenmerken zijn ook op anamnese te scoren (‘M’). Op basis van het dossier, anamnese, resultaten Van Wiechen filmpjes en onderzoek via beeldbellen kan de professional inschatten of er zorgen zijn over de taalontwikkeling. Bij twijfel kan een face-to-face contact afgesproken worden.
Aanbevelingen
3.2 Verwijzen
Achtergrond
In Bijlage 1is de werkwijze en de scoring voor het onderzoek op 2 jaar stapsgewijs beschreven.In Bijlage 2is de werkwijze bij een herbeoordeling op leeftijd van 2 jaar en 6 maanden (=30 maanden; spreiding 29-33 maanden) gedetailleerd beschreven. In Bijlage 3 wordt de beoordeling op leeftijd van 3 jaar (36 maanden) beschreven.
Good practice statement
Bij zorgen over de taalontwikkeling bepaalt de jeugdarts of de verpleegkundig specialist – na overleg met de jeugdverpleegkundige en de ouders – de te nemen vervolgstappen. Dit gebeurt op basis van het JGZ-dossier, de bevindingen uit de (specifieke) anamnese en het (aanvullend) lichamelijk onderzoek de te nemen vervolgstappen. Zo nodig vindt overleg met een directe collega, met een preventief werkend logopedist, een vrijgevestigd logopedist of met een stafarts plaats. Ook wordt een extra contact afgesproken.
Mogelijke vervolgstappen zijn dan:
Verwijzen:
Score Van Wiechenonderzoek is ‘onvoldoende’: verwijzen naar een audiologisch centrum voor multidisciplinaire diagnostiek;
Score is ‘twijfel’ énbij het kind en/of de ouder(s) is sprake van bijkomende problemen, dan verwijzen naar:
Een KNO-arts (bij gehoor-/KNO-problemen (zie ook JGZ-richtlijn Gehoor [1] >);
Een multidisciplinair spreekuur voor kinderen met ontwikkelingsproblematiek (bij vermoeden meervoudige problematiek/genetische oorzaak). Als dit in de regio niet aanwezig is, dan krijgt verwijzing naar een kinderarts voor erfelijke en aangeboren aandoeningen of een kinderarts met dit aandachtsgebied de voorkeur boven een verwijzing naar een algemeen kinderarts;
Jeugd GGZ (bij vermoeden ASS);
De huisarts (bij negatieve gezinsfactoren en/of voor (extra) motivering en ondersteuning van ouders)
Het wijkteam (voor ondersteuning van ouders.
3. Bij zorgen over de verstaanbaarheid op de leeftijd van 3 jaar, dan verwijzen naar een (vrijgevestigde) logopedist. Score is ‘twijfel’;
Begeleiden
Begeleiding vindt plaats door een preventief werkend logopedist of jeugdverpleegkundige bij ‘twijfel’ score op leeftijd van 2 jaar. De keuze welke professional de begeleiding verzorgt is afhankelijk van het klinische beeld, de inschatting van de jeugdarts of de verpleegkundig specialist, de wens van de ouders en de lokale situatie en de manier waarop de JGZ georganiseerd is. Doel van de begeleiding is de taalontwikkeling in de loop van een half jaar op het gewenste niveau te brengen door ouders de tools te geven om de taal op adequate manier en toegesneden op hun situatie en hun kind te stimuleren. Als begeleiding door de preventief werkend logopedist of jeugdverpleegkundige onvoldoende helpt wordt verwijzing (zie boven) overwogen;
Kortdurende peuteropvang zoals peuterspeelzaal of VVE: als er naar inschatting van de professional sprake is van een onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod wordt aan ouders geadviseerd om hun kind naar kortdurende peuteropvang zoals een peuterspeelzaal of VVE te laten gaan. Score is ‘onvoldoende’ of ‘twijfel’;
Combinatie van bovenstaande.
Het is mogelijk dat ouders na de signalering niet direct op het advies voor verwijzing of begeleiding ingaan. Ouders kunnen hier diverse redenen voor hebben. Het is belangrijk daar rekening mee te houden en met hen in gesprek te blijven over de taalontwikkeling van hun kind. Alternatieve scenario’s in dergelijke gevallen kunnen zijn:
Een ‘onvoldoende’ score, maar ouders willen niet direct ingaan op het advies voor verwijzing. Dan kan aan ouders begeleiding door een preventief werkend logopedist of de jeugdverpleegkundige aangeboden worden, en na een half jaar een oproep voor een herbeoordeling. Ook kan het zinvol zijn aan ouders voor te leggen of zij hierover eerst met hun huisarts willen praten. Als ouders ook hierop niet in willen gaan, is het belangrijk tussentijds (telefonisch) contact te houden om nog eens te informeren naar de taalontwikkeling van het kind en ook een herbeoordelingsconsult na maximaal een half jaar aan te bieden/te adviseren.
Bij ‘twijfel’ score en als ouders geen gebruik wensen te maken van begeleiding door een preventief werkend logopedist of de jeugdverpleegkundige. Dan is het in ieder geval belangrijk om met ouders te bespreken of zij een tussentijds (telefonisch) contact willen en om een herbeoordelingsconsult na maximaal een half jaar aan te bieden/te adviseren.
Rationale
Kinderen met een vermoedelijk taalprobleem worden verwezen (eventueel via de huisarts) naar een audiologisch centrum voor multidisciplinaire diagnostiek. Een taalteam van het audiologisch centrum doet onderzoek naar de taalvaardigheid, het gehoor, de cognitie en het gedrag van het kind – zie ook: https://www.fenac.nl/site/assets/files/1197/fenac-kits-2.pdf). Het taalteam beoordeelt ook of er problemen op pedagogisch gebied zijn en hoe het taalaanbod thuis is. Zo nodig vindt medisch onderzoek of een consult door een medisch specialist (kinderarts, kno-arts, kinderneuroloog, kinderpsychiater, klinisch geneticus) plaats. Het taalteam beoordeelt op basis van het onderzoek of er sprake is van TOS, van TOA, of dat er een andere oorzaak is van de taalachterstand. Afhankelijk van de diagnose bepaalt het taalteam wat het beste vervolgtraject is. Wanneer er sprake is van TOS, verwijst het team naar een vrijgevestigde logopedist, gespecialiseerde zorg of gespecialiseerd onderwijs voor kinderen met TOS. Kinderen met TOA worden meestal verwezen voor Voorschoolse – en Vroegschoolse Educatie (VVE). Het advies kan bij zowel TOS als TOA ook inhouden dat er interventie voor ouders nodig is, bijv. door middel van een Hanen oudercursus. Verwijzing gaat gepaard met bericht aan de huisarts. Onderzoek van alleen de taal door een logopedist is niet voldoende om de oorzaak van taalproblemen vast te kunnen stellen. Bij ruim de helft van de kinderen met taalproblemen is sprake van meervoudige problematiek ([15]).
Bevindingen uit het JGZ-dossier, het Van Wiechenonderzoek, de anamnese en het lichamelijk onderzoek kunnen wijzen op andere beperkingen of bijkomende problemen. Dit kunnen zijn:
Neurologische of psychische problemen (met name dyslexie, ASS, ADHD, motorische problemen, leerproblemen);
Problemen op het terrein van de sociaal-emotionele ontwikkeling;
Zorgen over de cognitieve ontwikkeling;
Zintuigelijke problemen (gehoor, visus).
Als er sprake is van andere beperkingen of bijkomende problematiek kan de jeugdarts of verpleegkundig specialist ook kiezen voor verwijzing naar een KNO-arts (gehoor-/KNO-problemen), een multidisciplinair spreekuur voor kinderen met ontwikkelingsproblematiek, een kinderarts voor erfelijke en aangeboren aandoeningen, jeugd GGZ (bij vermoeden ASS), de huisarts (bij negatieve gezinsfactoren en/of voor motivering ouders) of het wijkteam (voor ondersteuning van ouders),
4 Samenwerken
Uitgangsvraag
Welke samenwerkingsafspraken moet de JGZ-organisatie met welke partners uit de 1e en 2e lijn maken over signaleren, beoordelen en doorverwijzing van kinderen met TOS en blootstellingsachterstand?
Achtergrond
Kinderen met een vermoedelijk taalprobleem worden verwezen (eventueel via de huisarts) naar een audiologisch centrum voor multidisciplinaire diagnostiek. Bij een verhoogd risico op taalachterstand bespreekt de JGZ haar zorgen met de ouders en adviseert om hun kind, vanaf de leeftijd van ongeveer 2 jaar totdat het kind naar de basisschool gaat, kortdurende peuteropvang zoals een peuterspeelzaal of VVE te laten bezoeken.
Good practice statement
Audiologische centra
Bij een ‘onvoldoende’ score op de taalontwikkeling wordt het kind door de jeugdarts of de verpleegkundig specialist (eventueel via de huisarts) verwezen naar een audiologisch centrum voor multidisciplinaire diagnostiek. Het is belangrijk dat er heldere afspraken worden gemaakt met audiologische centra over verwijzing en terugkoppeling naar de JGZ:
Spreek af via welk medium (versleutelde mail, post) communicatie plaatsvindt, en welke informatie de instantie die de multidisciplinaire diagnostiek verzorgt nodig heeft van de JGZ;
Maak afspraken over verwijzing en de maximale wachttijd voor ouders en kinderen na verwijzing door de JGZ. Audiologische centra geven er vaak de voorkeur aan dat kinderen met een algehele ontwikkelingsachterstand of met een afwijkende sociale ontwikkeling direct worden verwezen naar de juiste instantie. Een audiologisch centrum kan dan gevraagd worden alleen gehooronderzoek te doen. Verder wordt verwijzing naar een audiologisch centrum bij wachtlijstproblematiek in de praktijk vaak gecombineerd met een verwijzing naar een preventief werkende – of een vrijgevestigde logopedist om begeleiding van het kind en de ouders alvast laagdrempelig te starten. In veel gevallen bevat het uiteindelijk advies van het audiologisch centrum namelijk vaak behandeling door een logopedist, naast eventuele andere in te zetten trajecten.
Spreek een termijn af voor terugkoppeling naar de JGZ.
Bovendien kan worden gedacht aan het betrekken van het audiologisch centrum bij de bijscholing van professionals.
Huisarts
Verwijzing door de jeugdarts of de verpleegkundig specialist naar een logopedist, een audiologisch centrum, een KNO-arts, een multidisciplinair spreekuur voor kinderen met ontwikkelingsproblematiek, een kinderarts Erfelijke en Aangeboren aandoeningen of jeugd GGZ gaat gepaard met een bericht aan de huisarts. Er wordt een (standaard) begeleidende brief en een kopie van de verwijsbrief naar de huisarts gestuurd. In de verwijsbrief staan de adresgegevens van zowel de verwijzend jeugdarts of verpleegkundig specialist als de huisarts vermeld en de ontvanger wordt verzocht naar beiden terug te rapporteren.
Rechtstreeks verwijzen werkt voor zowel ouders als huisarts tijdbesparend, en communicatieproblemen kunnen worden voorkomen. Rechtstreeks verwijzen heeft daarom de voorkeur, maar verwijzing kan desgewenst ook via de huisarts verlopen. De huisarts heeft net zoals de jeugdarts of verpleegkundig specialist goed zicht op de voorgeschiedenis van het kind, en kan vanuit zijn/haar positie als gezinsarts mogelijk andere factoren beïnvloeden die van belang zijn voor de taalontwikkeling. Ook kan de huisarts in overleg met de jeugdarts of verpleegkundig specialist proberen ouders te motiveren adviezen voor verwijzing of begeleiding op te volgen. De huisarts kan desgewenst ook de jeugdarts of verpleegkundig specialist om advies of beoordeling vragen.
Kortdurende peuteropvang
Bij een verhoogd risico op taalachterstand bespreekt de JGZ haar zorgen met de ouders en adviseert om hun kind, vanaf de leeftijd van ongeveer 2 jaar totdat het kind naar de basisschool gaat, kortdurende peuteropvang zoals een peuterspeelzaal of VVE te laten bezoeken. De vroegste leeftijd waarop vastgesteld wordt of een kind in aanmerking komt voor plaatsing varieert. Als in een gemeente het enige criterium het opleidingsniveau van de ouders is, dan kan direct na de geboorte vastgesteld worden of een kind tot de doelgroep behoort, vaak al tijdens het eerste contact met de JGZ. In andere gemeenten gebeurt indicatiestelling later, bijvoorbeeld bij geconstateerde taalachterstand of tijdens een wenperiode. Op veel plaatsen worden ook kinderen met een ontwikkelingsachterstand of als er sprake is van gezinsproblematiek dat de ontwikkeling van een kind bedreig (bijvoorbeeld verslaafde ouders, ouders met psychische problemen, ontbreken sociaal netwerk) door de JGZ verwezen naar kortdurende peuteropvang. Dit valt echter buiten het kader van deze richtlijn.
De JGZ adviseert ouders om hun kinderen in ieder geval vanaf de leeftijd van ongeveer 2 jaar naar kortdurende peuteropvang zoals een peuterspeelzaal of VVE te laten gaan, als:
het kind tot de door de gemeente vastgestelde doelgroep behoort;
het kind naar inschatting van de JGZ-professional (mede) vanwege onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod een vergroot risico op een taalachterstand loopt;
er sprake is van een geconstateerde taalachterstand (mede) vanwege onvoldoende (kwalitatief) taalaanbod.
Ook als een kind verwezen is of als het op kortdurende peuteropvang is geplaatst blijft de JGZ de taalontwikkeling van dit kind volgen. Observatie van kinderen op een peuterspeelzaal of VVE kan door een preventief werkend logopedist (indien aanwezig binnen de eigen organisatie) gedaan worden om de ontwikkeling te monitoren en te bekijken of extra inzet nodig is.
5 Totstandkoming
Knelpuntenanalyse
De JGZ-richtlijn taalontwikkeling is gebaseerd op de knelpuntenanalyse zoals deze is uitgevoerd door het CBO en de Argumentenfabriek. De deelnemers aan deze knelpuntenanalyse hebben de volgende thema’s en uitgangsvragen vastgesteld die in de richtlijn worden beantwoord.
Tabel T1: Uitgangsvragen (CBO en Argumentenfabriek)
Cluster
Uitgangsvragen
Definities
v (5) Wat is, naar leeftijd en geslacht, een normale en afwijkende taal ontwikkeling en wat zijn hierin culturele verschillen?
Risicofactoren
i (1) Wat zijn, naar leeftijd, risicofactoren voor het ontwikkelen van taalproblemen?
Ontwikkeling en prognose
ii (2) Wat zijn de gevolgen van taalproblemen voor de brede ontwikkeling van het kind?
iv (4) Hoe kunnen JGZ professionals taalproblemen onderscheiden van andere ontwikkelingsproblemen?
vi (6) Op welke leeftijden moet de JGZ minimaal kinderen testen om taalproblemen te volgen?
vii (7) Wat zijn, naar leeftijd, valide instrumenten voor de JGZ om taalproblemen te signaleren?
viii (8) Wat zijn valide instrumenten om taalproblemen te signaleren bij kinderen met een andere moedertaal dan Nederlands?
ix (9) Hoe kunnen JGZ professionals taalproblemen signaleren bij verschillende leeftijdsgroepen als valide instrumenten ontbreken?
Verwijzing
x (10) Wat moeten JGZ professionals doen bij welke uitkomst van het Van Wiechenonderzoek?
xiii (13) Wat zijn indicaties waarop JGZ professionals kinderen kunnen verwijzen naar voor- en vroegschoolse educatie (VVE)?
Preventieve interventies
xi (11) Wat zijn preventieve interventies voor de JGZ voor verschillende risicofactoren en leeftijden (tot 4 jaar)?
xii (12) Wat zijn collectieve en individuele preventieve adviezen aan ouders en de omgeving van het kind om de taalontwikkeling te stimuleren?
xiv (14) Wat zijn interventies die JGZ werkers kunnen inzetten om een taalontwikkeling te stimuleren?
Samenwerking
xv (15) Welke samenwerkingsafspraken moet de JGZ met welke partijen maken over signalering en beoordeling van taalproblemen?
Registratie
xvi (16) Wat moeten JGZ professionals minimaal op welk moment registreren over taalontwikkeling?
Werkwijze
Een kernteam van NSDSK en TNO heeft de teksten voor de conceptrichtlijn geschreven. Voor de start van het project is een projectgroep en een werkgroep en samengesteld, deze zijn bij alle fasen van de ontwikkeling van de richtlijn intensief betrokken. De projectgroep en de werkgroep zijn samengesteld uit JGZ-professionals en experts op het gebied van taalontwikkeling. Met de leden zijn afspraken gemaakt en vastgelegd over taken en rollen in elke fase van het project.
Tijdens de eerste bijeenkomst van de werkgroep zijn de uitgangsvragen besproken. De uitgangsvragen werden aangescherpt, en er werd besloten op welke wijze de uitgangsvragen het beste uitgewerkt kunnen worden. Hieronder staat een overzicht.
Tabel T2: Overzicht uitgangsvragen
Cluster 1: definities
Uitwerking
Welke mijlpalen kenmerken de taalontwikkeling van een kind en zijn deze mijlpalen anders voor geslacht en verschillende culturen?
Handboeken/ overzichtsartikelen/ expert opinie
Wanneer (achterstand in maanden) is sprake van een vertraagde taalontwikkeling?
Handboeken/ overzichtsartikelen/ expert opinie
Cluster 2: risicofactoren
In welke mate is de prevalentie van respectievelijk TOS en blootstellingsachterstand hoger voor kinderen met < aanwezige risicofactor > in vergelijking met kinderen zonder deze risicofactor?
Op welke domeinen (sociaal emotioneel, gedrag, motorisch, cognitief, academisch, maatschappelijk) lopen kinderen met respectievelijk TOS of blootstellingsachterstand meer risico op problemen dan kinderen zonder TOS of blootstellingsachterstand?
Handboeken/ overzichtsartikelen/ expert opinie
Cluster 4: signaleren
Welke mijlpalen in de taalontwikkeling zijn bruikbaar om TOS en een blootstellingsachterstand te signaleren, en op welke leeftijden moet de JGZ dan minimaal kinderen screenen om taalproblemen te signaleren?
Handboeken/ overzichtsartikelen/ expert opinie
Wat zijn sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde van < screeningsmethode > als screeningsinstrument voor respectievelijk TOS en blootstellingsachterstand toegepast in de JGZ bij eentalige en meertalige kinderen van 0-18 jaar?
Hoe ziet het verwijsprotocol voor behandeling van kinderen met TOS en blootstellingsachterstand eruit?
Handboeken/ overzichtsartikelen/ expert opinie
Cluster 6: (preventieve) interventies
Ontwikkelt de woordenschat, grammatica en verstaanbaarheid van respectievelijk alle kinderen, kinderen met TOS en kinderen met een blootstellingsachterstand zich gunstiger als zij < preventief advies/preventieve interventie > krijgen in vergelijking met geen ?
Welke samenwerkingsafspraken moet de JGZ-organisatie met welke partners uit de 1e en 2e lijn maken over signaleren, beoordelen en doorverwijzing van kinderen met taalproblemen (TOS en blootstellingsachterstand)?
Publicaties m.b.t. samenwerking en samenwerkingsafspraken)/ expert opinie
Cluster 8: registratie
Welke gegevens moeten JGZ-professionals in het DD JGZ registeren in het kader van signaleren, begeleiden, verwijzen en samenwerking rondom taal problemen (TOS en blootstellingsachterstand)?
Expert opinie/ gegevens in de Basisdataset
Hierna is een systematisch literatuur onderzoek verricht. De leden van het kernteam hebben de literatuur bestudeerd en samengevat. De teksten met samenvattingen van de literatuur werden aan de deelnemers aan de werkgroep gepresenteerd. Tijdens vier werkgroep vergaderingen zijn deze verder aangepast, en zijn er aanbevelingen opgesteld. Een vijfde vergadering werd belegd om te oordelen over nieuw bewijs (m.b.t. de ELS-NL en de VLOT) dat gedurende het traject naar voren is gekomen.
Tevens is een klankbordgroep geraadpleegd bestaande uit experts op het gebied van taalontwikkeling, vroeg signalering en preventie van taalachterstand en vertegenwoordigers van aanpalende beroepsgroepen (huisartsgeneeskunde, KNO, logopedie,). De klankbordgroep is voor de start van de praktijktest geconsulteerd met de vraag de conceptrichtlijn schriftelijk van commentaar te voorzien. Op basis van de inhoud van de richtlijn zijn een registratieprotocol en indicatoren opgesteld.
Het eerste concept van de richtlijn, het registratieprotocol en de indicatoren zijn op 8 mei 2017 beoordeeld door de RAC. Hierna is gestart met een praktijktest om de werkbaarheid in de praktijk te onderzoeken. De conceptrichtlijn is in deze periode ook verspreid voor een brede landelijke commentaarronde.
Na het verwerken van de resultaten van de praktijktest en de landelijke commentaarronde is de richtlijn op 26 februari 2018 opnieuw beoordeeld door de RAC. Naar aanleiding van deze bespreking en de informatie die naar voren is gekomen uit de vijfde werkgroep bijeenkomst (zie boven) is de inhoud van de richtlijn opnieuw bijgesteld. Op 25 juni 2018 heeft de RAC de richtlijn definitief goedgekeurd.
5.1 Kerngroep-, werkgroep- en klankbordgroepleden
Leden van het kernteam
Naam
Organisatie
Mascha Kamphuis
TNO (tot 1 mei 2016) / AJN / JGZ-Zuid-Holland West
Annelies Broerse
TNO (tot 1 april 2016)
Caren Lanting
TNO (vanaf 1 april 2016)
Noëlle Uilenburg
NSDSK
Karin Wiefferink
NSDSK
Marianne de Wolff
TNO (vanaf 1 augustus 2016)
Leden van de werkgroep
Naam
Functie
Organisatie
Mascha Kamphuis
voorzitter
TNO (tot 1 mei 2016); AJN; JGZ Zuid-Holland West
Ellen Gerrits
lector Logopedie
Hogeschool Utrecht; namens Ned. Ver. voor Logopedie en Foniatrie (NVLF)
Debbie Velten
coördinator preventieve logopedie en logopedist
GGD Amsterdam; namens NVLF
Margreet Luinge
lector kind, taal en ontwikkeling
Hanzehogeschool Groningen
Menno Reijneveld
hoogleraar Sociale Geneeskunde
Universitair Medisch Centrum Groningen / RUG
Babette Diepeveen
jeugdarts
TNO
Margot van Denderen
jeugdarts
JGZ Kennemerland; namens AJN
Ine Anthonissen
jeugdarts
GGD Hart voor Brabant; namens AJN
Angela Vrinds
verpleegkundig specialist
GGD Hart voor Brabant; namens V&VN
Lia Denekamp
staf- en jeugdverpleegkundige
SAG JGZ Amsterdam; namens V&VN
Arend Verschoor (tot 1 juni 2016)
beleidsmedewerker
Stichting Hoormij
Wytske van Weerden (vanaf 1 juni 2016)
ouder van kind met TOS en bestuurslid Hoormij/FOSS
Stichting Hoormij/FOSS
Alex Hoetinck
klinisch fysicus-audioloog
NSDSK; namens Federatie van Nederlandse Audiologische Centra (FENAC)
Leden van de klankbordgroep
Naam
Functie
Organisatie
Kitty van der Ploeg
gezondheidswetenschapper / epidemioloog
TNO
Diane Smit
KNO-arts
Namens KNO vereniging
Andy van Kollenburg
logopedist
Namens NVLF
Carla van Schie
jeugdarts KNMG
JGZ Kennemerland
Marijke Bos
projectleider
Stichting lezen
Laura de Vries
wetenschappelijk medewerkers en huisarts n.p.
NHG
Paula van Dommelen
statisticus
TNO
Bart Looman
programmamanager Jeugd
Pharos
Cliëntparticipatie
Clientparticipatie is in deze richtlijn vormgegeven door deelname aan de werkgroep bijeenkomsten door een ouder van een kind met TOS en vertegenwoordiging door stichting Hoormij/FOSS. Daarnaast werden in het kader van de praktijktest interviews met ouders georganiseerd.
6 Verantwoording
Zie de verschillende secties voor de wetenschappelijke onderbouwing van de veschiullende thema’s.
Zijn de woordenschat, grammatica en verstaanbaarheid van kinderen beter als zij krijgen in vergelijking met geen ?
Problem: Om de spraak- en taalontwikkeling bij álle kinderen te stimuleren, kan de JGZ preventieve adviezen geven of preventieve interventies inzetten. Het is echter nog onbekend wat de effectiviteit is van de verschillende preventieve adviezen en interventies.
Intervention: Toepassing van .
Comparison: Geen toepassing van .
Outcome: Woordenschat (begrip en productie), grammatica (begrip en productie), verstaanbaarheid.
Zijn de woordenschat, grammatica en verstaanbaarheid van kinderen met TOS beter als zij krijgen in vergelijking met geen ?
Problem: Om de spraak- en taalontwikkeling bij kinderen met TOS te stimuleren, kan de JGZ preventieve adviezen geven of preventieve interventies inzetten. Het is echter nog onbekend wat de effectiviteit is van de verschillende preventieve adviezen en interventies.
Intervention: Toepassing van .
Comparison: Geen toepassing van .
Outcome: woordenschat (begrip en productie), grammatica (begrip en productie), verstaanbaarheid.
Zijn de woordenschat, grammatica en verstaanbaarheid van kinderen met een blootstellingsachterstand beter als zij krijgen in vergelijking met geen ?
Problem: Om de spraak-taalontwikkeling bij kinderen met een blootstellingsachterstand te stimuleren, kan de JGZ preventieve adviezen geven of preventieve interventies inzetten. Het is echter nog onbekend wat de effectiviteit is van de verschillende preventieve adviezen en interventies.
Intervention: Toepassing van .
Comparison: Geen toepassing van .
Outcome: woordenschat (begrip en productie), grammatica (begrip en productie), verstaanbaarheid.
Wat is het domein van het probleem?
Interventie (therapie, preventie en voorlichting aan ouders)
Welke typen onderzoek zijn geschikt voor deze vraagstelling?
Randomised controlled trials
Meta-analyses
Systematisch review
Formuleer de inclusiecriteria voor studies
Leeftijd: 0-4 jaar
Taal: Nederlands, Engels
Publicatie jaar: vanaf 2000 (en aanvullende studies includeren via sneeuwbaleffect)
Formuleer de exclusiecriteria
Geen
Formuleer de zoektermen om de PICO-vraag te beantwoorden
‘language delay’
‘language impairment’
‘vocabulary’
‘grammar’
‘parent training’
‘language intervention’
‘speech-language therapy’
‘language delay’
‘Triple P’
Welke databestanden worden geraadpleegd?
Cochrane Collaboration
Scopus/ Web of Science
Pubmed
Resultaten systematisch review
De voorgestelde zoektermen in de PICO-vragenstelling werden tijdens het literatuuronderzoek gevalideerd, en waar nodig bijgesteld. Hieronder worden de definitief gehanteerde zoekstrategie en de bijbehorende resultaten kort weergegeven.
PICO-vraag
Gehanteerde zoekstrategieën
Resultaat (aantal artikelen)
Aantal geselecteerd o.b.v. relevantie
Preventieve interventies
#1: ‘language screening’ OR ‘language development’ OR ‘language disability’ OR ‘language test’ OR ‘speech and language disorder’ OR ‘language ability’ OR ‘language development disorder(s)’ OR ‘language assessment(s)’ OR ‘language problem(s)’ OR ‘language skill(s)’ OR ‘language impairment’ OR ‘language delay(s)’ OR ‘child speech’ OR ‘grammar’ OR ‘vocabulary’.
#2: ‘infancy’ OR ‘infant(s)’ OR ‘sibling(s)’ OR ‘toddler(s)’ OR ‘pre-school child(ren)’ OR ‘school-age child(ren)’ OR ‘elementary school-age child(ren)’.
#1 AND # 2 = # 3
#4: ‘parents language-related’ OR ‘caregiver(s)’ OR ‘therapy effect(s)’ OR ‘parent training’ OR ‘speech therapy’ OR ‘language intervention’ OR ‘speech and language therapy’.
#4 AND #3= #5
Van #5 alleen de Engels- of Nederlandstalige artikelen met een publicatiejaar vanaf 2000.
241
24
Er werd 1 meta-analyse gevonden die effecten van interactief voorlezen op de taalontwikkeling bekijkt, 1 meta-analyse naar de effectiviteit van oudergerichte taalinterventie, 1 meta-analyse naar de effectiviteit van Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) en 1 meta-analyse naar de effectiviteit van individuele logopedie op de taalontwikkeling (respectievelijk [68]; [79]; [37]; [58]). Veel primaire studies zijn van buitenlandse origine waardoor niet duidelijk is in hoeverre de uitkomsten ook geldig zijn voor Nederland. De wetenschappelijke kwaliteit van de gevonden studies is bovendien doorgaans zwak: onderzoeksgroepen zijn klein (<50 kinderen) en vaak ontbreekt een controlegroep. Als er wel een controlegroep is, dan heeft er meestal geen aselecte toewijzing plaatsgevonden waardoor selectiebias niet uitgesloten kan worden. Ook ontbreekt nogal eens een voormeting waardoor onduidelijk blijft of en in welke mate het effect uitstijgt boven de toename op basis van ‘normale’ ontwikkeling. In een enkele studie vond matching plaats van de experimentele en de controlegroep, maar de matching werd gebrekkig uitgevoerd vanwege verschillende groepsgroottes. De uitkomsten van het literatuuronderzoek nopen daarom tot voorzichtigheid; gemeten verschillen kunnen vaak niet met zekerheid aan de interventie worden toegeschreven.
Voor deze module is gebruikgemaakt van resultaten van onderzoek naar mijlpalen in de normale taalontwikkeling [63]. Voor de beschrijving van de taalontwikkeling van kinderen met TOS en de gevolgen hiervan voor de verdere ontwikkeling is gebruikgemaakt van het boek ‘Kinderen met specifieke taalstoornissen’ [16].
6.3 Risicofactoren en beschermende factoren – Onderbouwing
Thema Risico- en beschermende factoren
Methode systematisch review
Voor de beantwoording van deze vraag is een evidence-based benadering gekozen waarvoor systematisch literatuuronderzoek is verricht. Er is gezocht naar overzichtsartikelen en observationeel onderzoek dat betrekking heeft op de etiologie en het risico op een taalachterstand, TOS of TOA; dat is gepubliceerd na het jaar 2000; dat gaat over kinderen tot 18 jaar en geschreven is in de Nederlandse of Engelse taal. Omdat het doel van de uitgangsvraag is om risicofactoren in bestaande wetenschappelijke onderzoeken te inventariseren, en niet om de effectgrootten van verschillende factoren met elkaar te vergelijken zijn geen GRADE-tabellen opgesteld. Relevante studies zijn wel volgens de GRADE-systematiek beoordeeld.
Om de uitgangsvraag op een gestructureerde manier uit te werken tot een beantwoordbare vraag is deze eerst omgewerkt tot PICO-uitgangsvragen. Hierbij wordt achtereenvolgens het volgende expliciet gemaakt: P = problem, I = intervention, C = comparison, O = outcome. De volgende PICO-uitgangsvraag is gebruikt als basis voor het literatuuronderzoek:
Beschrijf de vraag volgens de
PICO-systematiek
In welke mate is de prevalentie van TOS hoger voor kinderen met < aanwezige risicofactor > in vergelijking met kinderen zonder deze risicofactor?
Problem: In de algemene populatie kinderen is de prevalentie van TOS 5-7%. De aanwezigheid van bepaalde risicofactoren verhoogt de kans op TOS.
Intervention: Kinderen met < aanwezige risicofactor > *.
Comparison: Kinderen zonder deze risicofactor.
Outcome: Prevalentie van TOS bij kinderen met en zonder risicofactor.
* Er zal worden gekeken naar de volgende risicofactoren: geslacht, meertaligheid, belaste familieanamnese voor taalproblemen, gehoorproblemen, autistisch spectrum stoornissen, cognitieve beperking, dyslexie.
b. In welke mate is de prevalentie van blootstellingsachterstand hoger voor kinderen met < aanwezige risicofactor > in vergelijking met kinderen zonder deze risicofactor?
Problem: In de algemene populatie kinderen is de prevalentie van een blootstellingsachterstand 15%. De aanwezigheid van bepaalde risicofactoren verhoogt de kans op een blootstellingsachterstand.
Intervention: Kinderen met < aanwezige risicofactor > *.
Comparison: Kinderen zonder deze risicofactor.
Outcome: Prevalentie van blootstellingsachterstand bij kinderen met en zonder risicofactor.
* Er zal worden gekeken naar de volgende risicofactoren: geslacht, SES, meertaligheid, culturele achtergrond, conductief gehoorverlies, afwijkende mondgewoonten.
Wat is het domein van het probleem?
Etiologie/risicofactor
Welke typen onderzoek zijn geschikt voor deze vraagstelling?
Observationeel onderzoek
Patiënt-controleonderzoek
Cohortonderzoek
Cross-sectioneel
Systematische review
Formuleer de inclusiecriteria voor studies
Leeftijd: 0-18 jaar
Taal: Nederlands, Engels
Publicatie jaar: vanaf 2000 (en aanvullende studies includeren via sneeuwbaleffect)
Formuleer de exclusiecriteria
Geen
Formuleer de zoektermen om de PICO-vraag te beantwoorden
‘language impairment’
‘risk assessment’
‘sex’
‘bilingualism’
‘family’
‘genes’
‘hearing impairment’
‘autistic spectrum disorder’
‘developmental language disorder’
‘language delay’
‘cultural background’
‘conductive hearing loss’
‘socio-economic status’
Welke databestanden worden geraadpleegd?
Cochrane Collaboration
Scopus/ Web of Science
Pubmed
Resultaten systematisch review
De voorgestelde zoektermen in de PICO-vragenstelling werden tijdens het literatuuronderzoek gevalideerd, en waar nodig bijgesteld. Hieronder wordt de definitief gehanteerde zoekstrategie weergegeven, net als de bijbehorende resultaten.
PICO-vraag
Gehanteerde zoekstrategieën
Resultaat (aantal artikelen)
Aantal geselecteerd o.b.v. relevantie
1: risicofactoren
#1: ‘language impairment’ OR ‘language delay(s)’ OR ‘child speech’.
#2: ‘risk assessment’ OR ‘hearing impairment’ OR ‘autistic spectrum disorder’ OR ‘developmental disorder’ OR ‘cultural background’ OR ‘conductive hearing loss’ OR ‘socio-economic status’ OR ‘socioeconomics’ OR ‘cultural background’ OR ‘bilingualism’ OR ‘gender’ OR ‘family’ OR ‘families’.
#1 AND #2 = #3
#4: ‘infancy’ OR ‘infant(s)’ OR ‘child(ren)’ OR ‘sibling(s)’ OR ‘toddler(s)’ OR ‘adolescent(s)’ OR ‘youth’.
#3 AND #4= #5
#6: ‘systematic literature’ OR ‘systematic review(s)’ OR ‘meta-analyses’ OR ‘meta-analytic’ OR ‘evidence-based’ OR ‘randomized controlled trial’ OR ‘cohort analysis’ OR ‘meta-analysis’ OR ‘meta analyses’.
#5 AND #6= #7
Van #7 alleen de Engelstalige of Nederlandstalige artikelen met een publicatiejaar vanaf 2000.
105
29
Het literatuuronderzoek resulteerde in 2 cohortstudie waarin werd gezocht naar biologische en omgevingsfactoren die gerelateerd zijn aan taalachterstand [43]; [22]. De relatie tussen de expressieve taalontwikkeling bij kinderen tot 36 maanden oud en de sociale status van ouders werd door 1 Fins cohortonderzoek [53] onderzocht. Voor de relatie met perinatale factoren werd relatief veel literatuur gevonden, maar alleen prospectief onderzoek met meer dan 50 cases werd meegenomen om een betrouwbare indruk te kunnen krijgen van de voorspellende waarde.
1 review [6]beschrijft de literatuur over de rol van de kwaliteit van ouder-kind interactie bij kinderen met TOS. Conclusies in dit review zijn echter gebaseerd op 5 studies van relatief lage kwaliteit, met in totaal 150 cases.
Studies met betrekking tot comorbiditeit bij taalachterstand bleken vooral beschrijvend, van kleine omvang en van zeer lage bewijskracht. Vaak werd gebruikgemaakt van een dwarsdoorsnede opzet. Studies die de relatie met zorgen van ouders beschrijven werden in het systematische literatuuronderzoek niet gevonden, wel werd door een werkgroeplid op enkele studies over dit onderwerp gewezen.
Uit het systematische literatuuronderzoek kwam ook een studie in een groot Noors cohort (n=38.954) naar voren. Daarin werd gevonden dat kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap extra foliumzuur gebruikten een lagere kans hadden op ernstige taalachterstand op de leeftijd van 3 jaar (Odds Ratio (OR) 0,55; 95%-betrouwbaarheidsinterval (BI) 0,35-0,86) [81]. Foliumzuursuppletie maakt echter onderdeel uit van de preconceptie- en verloskundige zorg en valt daardoor buiten het kader van deze richtlijn.
Aanvullend werd nog gezocht naar artikelen over de erfelijkheidsgraad van taalproblemen. Dit leverde 3 artikelen op [5]; [26]; [4]. Werkgroepleden brachten ten slotte een artikel over risicofactoren en beschermende factoren bij taalproblemen in [43]. Ook kwamen zij met suggesties voor artikelen over het effect van Otitis Media met Effusie (OME) op de taalontwikkeling. Daarnaast werd informatie uit de Richtlijn ‘Otitis Media bij kinderen in de tweede lijn’ [76] van de Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied gebruikt.
6.4 Signaleren – wetenschappelijke onderbouwing
Thema ‘Signaleren’
Methode systematisch review
Voor de beantwoording van de eerste vraag – Welke mijlpalen in de taalontwikkeling zijn bruikbaar om TOS en een blootstellingsachterstand te signaleren, en op welke leeftijden moet de JGZ dan minimaal kinderen screenen om taalproblemen te signaleren? – is systematisch literatuuronderzoek verricht. Er werd gezocht naar overzichtsartikelen en prospectief observationeel onderzoek dat betrekking heeft op het signaleren van TOS, TOA en taalachterstand, en die zijn gepubliceerd na het jaar 2000. Verder zijn alleen artikelen opgenomen die betrekking hebben op kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 18 jaar, en die in het Nederlands of Engels geschreven zijn. Om de validiteit van instrumenten te kunnen beoordelen werd gezocht naar studies waarin de resultaten van de te onderzoeken test afgezet wordt tegen een ‘gouden standaard’.
Studies waarin uitkomsten van verschillende signaleringsmethoden met elkaar werden vergeleken werden niet gevonden. Daarom zijn geen GRADE-tabellen opgesteld. Relevante studies zijn wel volgens de GRADE-systematiek beoordeeld. Om de vraag naar valide instrumenten te beantwoorden werden resultaten van het systematisch literatuuronderzoek besproken in de werkgroep. Informatie met betrekking tot 2 nieuwe instrumenten – de ELS-NL en de VLOT – werd tijdens een aparte bijeenkomst met de werkgroep besproken.
Om de uitgangsvraag op een gestructureerde manier uit te werken tot een ‘beantwoordbare’ vraag is deze eerst omgewerkt tot een PICO-uitgangsvraag. Daarbij wordt het volgende expliciet gemaakt: P = problem, I = intervention, C = comparison, O = outcome. De volgende PICO-uitgangsvraag is gebruikt als basis voor het literatuuronderzoek:
Beschrijf de vraag volgens de
PICO-systematiek
Wat zijn sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde van als screeningsinstrument voor TOS, toegepast in de JGZ bij eentalige en meertalige kinderen van 0-18 jaar?
Problem: Er zijn verschillende methoden om TOS op te sporen bij eentalige en meertalige kinderen van 0-18 jaar. Het is echter onduidelijk welke van die instrumenten het meest effectief zijn.
Intervention: Toepassing van methode .
Comparison: Geen toepassing van methode .
Outcome: Sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde van het screeningsinstrument.
Wat zijn sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde van als screeningsinstrument voor blootstellingsachterstand, toegepast in de JGZ bij eentalige en meertalige kinderen van 0-18 jaar?
Problem: Er zijn verschillende methoden om blootstellingsachterstand op te sporen bij eentalige en meertalige kinderen van 0-18 jaar. Het is onduidelijk welke van die instrumenten het meest effectief zijn.
Intervention: Toepassing van methode .
Comparison: Geen toepassing van methode .
Outcome: Sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarde van het screeningsinstrument.
Wat is het domein van het probleem?
Diagnose
Welke typen onderzoek zijn geschikt voor deze vraagstelling?
Observationeel onderzoek
Cohortonderzoek
Cross-sectioneel
Systematische review
Formuleer de inclusiecriteria voor studies
Leeftijd: 0-18 jaar
Taal: Nederlands, Engels
Publicatiejaar: vanaf 2000 (en aanvullende studies includeren via sneeuwbaleffect)
Formuleer de exclusiecriteria
Geen
Formuleer de zoektermen om de PICO-vraag te beantwoorden
‘language impairment’
‘monolingual’
‘bilingual’
‘mass screening’
‘diagnostic test’
‘sensitivity and specificity’
‘predictive value of test’
‘VTO’
‘SNEL’
‘NCDI’
‘lexilijst’
‘Van Wiechen’
‘language delay’
Welke databestanden worden geraadpleegd?
Cochrane Collaboration
Scopus/ Web of Science
Pubmed
Resultaten systematisch review
De voorgestelde zoektermen in de PICO-vragenstelling werden tijdens het literatuuronderzoek gevalideerd, en waar nodig bijgesteld. Hieronder worden de definitief gehanteerde zoekstrategie en de bijbehorende resultaten kort weergegeven.
PICO-vraag
Gehanteerde zoekstrategieën
Resultaat (aantal artikelen)
Aantal geselecteerd o.b.v. relevantie
Signalering
#1: ‘language screening’ OR ‘language development’ OR ‘language disability’ OR ‘language test’ OR ‘speech and language disorder’ OR ‘language ability’ OR ‘language development disorder(s)’ OR ‘language assessment(s)’ OR ‘language problem(s)’ OR ‘language skill(s)’ OR ‘language impairment’ OR ‘language delay(s)’ OR ‘child speech’.
#2: ‘infancy’ OR ‘infant(s)’ OR ‘child(ren)’ OR ‘sibling(s)’ OR ‘toddler(s)’ OR ‘adolescent(s)’ OR ‘youth’
#1 AND #2 = #3
#4: ‘monolingual’ OR ‘bilingual’ OR ‘mass screening’ OR ‘diagnostic test’ OR ‘sensitivity and specificity’ OR ‘predictive value of test’ OR ‘VTO’ OR ‘SNEL’ OR ‘Van Wiechen’
#4 AND #3= #5
Van #5 alleen de Engels- of Nederlandstalige artikelen met een publicatiejaar vanaf 2000.
203
41
Het literatuuronderzoek resulteerde in 3 Brits/Amerikaanse systematische reviews naar de haalbaarheid en effectiviteit van het inzetten van instrumenten en procedures bij jonge kinderen om TOS en/of TOA vroegtijdig te kunnen signaleren [57]; [71]; [103].
In het review van Law [57] worden 45 primaire studies meegenomen.
Het review van Nelson et al. (2006) betreft een grootschalig literatuuroverzicht van de ‘U.S. Preventive Task Force’, waarin 746 publicaties beoordeeld zijn, en waaruit onder andere ook statistische gegevens afgeleid zijn.
Het meest recente review is dat van Wallace [103]. Dit review bevat 25 studies naar vroegtijdige opsporing.
Er werden daarnaast drie primaire, observationele studies gevonden naar de validiteit van de communicatie-kenmerken van het Van Wiechenonderzoek [31] en de validiteit en de effectiviteit van het VTO Taal instrument [27]; [95]. Deze laatste studies werden door de werkgroep en het projectteam aangevuld met 3 Nederlandse praktijkstudies [98]; [96]; [90].
Informatie over de validiteit van de VLOT was op het moment van publicatie van deze richtlijn (nog) niet gepubliceerd anders dan in een rapport bedoeld voor de financier van het onderzoek (ZonMW) [73].
6.5 Verwijzen – Onderbouwing
Thema ‘Verwijzen’
Methode
Tekst is gebaseerd op expert opinie.
6.6 Samenwerken – Onderbouwing
Thema ‘Samenwerken’
Methode
Deze tekst is gebaseerd op expert opinie
6.7 Registreren – onderbouwing
Thema ‘Registreren’
Methode
Gebaseerd op expert opinie en gegevens in de Basisdataset.
7 Bijlagen
Bijlage 1 – Signalering 2-jarige leeftijd
Bijlage 2 – Herbeoordeling bij 2 jaar en 6 maanden
Bijlage 3 – Beoordeling bij 3-jarige
Bijlage 4 – Begeleiding bij twijfelscore door logopedist
Bijlage 5 – Begeleiding bij twijfelscore door jeugdverpleegkundige
7.1 Bijlage 1 Signalering op de leeftijd van twee jaar
Bijlage 1 Signalering op de leeftijd van twee jaar
(=24 maanden; spreiding 23-27 maanden)
Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden dat ouders vooraf naar de ontwikkeling van hun kind kijken met behulp van de Van Wiechen filmpjes. De JGZ-professional bespreekt de resultaten van de filmpjes en vraagt of ouders zorgen hebben over de taalontwikkeling van hun kind.
Desgewenst kunnen de ontwikkelingskenmerken 41 en 42 via beeldbellen en/of anamnestisch worden afgenomen. Tevens kan via beeldbellen de taalproductie en het gedrag van het kind worden geobserveerd. Mocht de ouder voor kenmerk 42 een pop beschikbaar hebben, dan zal deze niet aan de eisen van het Van Wiechenonderzoek voldoen.
Op basis van het dossier, anamnese, resultaten Van Wiechen filmpjes en onderzoek via beeldbellen kan de professional inschatten of er zorgen zijn over de taalontwikkeling en een face-to-face contact wenselijk is.
Stap 1: TAALPRODUCTIE
ONTWIKKELINGSKEMERK 41 VAN WIECHEN: ZEGT “ZINNEN” VAN 2 WOORDEN
Observatie
De professional observeert of het kind zinnen van twee woorden zegt, of lokt dit zo nodig uit door tegen het kind te praten.
Score is 2 (en registratie in Van Wiechenschema is ‘+’)
als het kind zinnen van twee woorden zegt, waarin een logische koppeling van twee begrippen tot stand wordt gebracht. De woordopbouw mag nog onvolledig zijn → de professional gaat door naar ontwikkelingskenmerk 42 (stap 2: Taalbegrip)
Anamnese
Als de professional het gewenste gedrag tijdens het consult niet kan observeren vraagt de professional hiernaar op gestandaardiseerde wijze conform het VTO Taalinstrument aan de ouder. De professional vraagt aan de ouder over drie situaties in het dagelijks leven, en hoe het kind dan reageert.
“Om te beginnen gaat het over de woordjes van (naam kind). Als u aan gisteren denkt:
Hoe noemt (naam kind) mensen in zijn omgeving? (opwarmvraag, telt niet mee in de score)
Wat zegt (naam kind) als hij/zij iets wil eten of drinken?
Wat zegt (naam kind) als hij/zij met speelgoed wil spelen?”
Score is 2
bij vraag 2 en 3 productie van 2-woorduitingen
bij vraag 2 of 3 productie van 2-woorduitingen en bij de andere vraag een 1-woorduiting
Score is 1
bij vraag 2 en 3 productie van 1-woorduitingen
Score is 0
bij vraag 2 of 3 productie van 1-woorduiting
geen productie op woordniveau
Stap 2: TAALBEGRIP
ONTWIKKELINGSKENMERK 42 VAN WIECHEN: WIJST 6 LICHAAMSDELEN AAN BIJ POP
Observatie
De aandacht wordt gevangen door het kind de pop te laten zien en te zeggen: “Kijk eens. Hier is een popje”. En vervolgens te vragen:
“Waar zijn de oogjes?”, “ waar is de mond?”, “waar is de buik?“, “waar is de voet?”, “waar is het haar?“, “waar is de hand?”. De professional observeert of het kind het gevraagde onderdeel bij de pop aanwijst. Zo nodig mag de professional het kind aanmoedigen door het gemakkelijkste lichaamsdeel (de neus) bij zich zelf aan te wijzen: “Waar is jouw neus?” en vervolgens door te gaan met aanwijzen van de neus bij de pop en vervolgens de andere lichaamsdelen bij de pop. Wanneer een vraag niet wordt begrepen kan hij een keer worden herhaald in dezelfde bewoordingen.
Anamnese
Als het kind deze lichaamsdelen niet (allemaal) aanwijst, vraagt de professional aan de ouder of het kind ze thuis wel allemaal goed kan aanwijzen op een pop.
Score
Score is 2
als het kind de lichaamsdelen goed aanwijst bij de pop. De buik doet in het VTO Taalinstrument in tegenstelling tot het Van Wiechenonderzoek niet mee in de scoring.
Score is 1
het kind wijst niet alle lichaamsdelen zelf aan bij de pop, maar de ouder geeft aan dat het kind ze thuis wel goed aanwijst bij een pop.
Score is 0
het kind wijst geen lichaamsdelen aan bij de pop en de ouder geeft aan geeft dat het kind het thuis ook niet zou kunnen.
Stap 3: SUBSCORE
De professional telt de punten van ontwikkelingskenmerken 41 en 42 op.
Als het aantal punten 4 punten is, is het resultaat ‘voldoende’.
Als het aantal punten 1, 2 of 3 is, voert de professional het spelenonderdeel uit.
Als de score 0 (‘onvoldoende’) is, hoeft het spelenonderdeel (stap 4) niet uitgevoerd te worden. Het kind wordt door de jeugdarts of de verpleegkundig specialist direct verwezen naar een audiologisch centrum (zie ook: https://www.fenac.nl/site/assets/files/1197/fenac-kits-2.pdf).
Stap 4: SPELEN (interactie)
Aan de ouder worden 3 vragen gesteld die gaan over ouder-kind interactie en het speelgedrag van het kind.
Inleidende vraag: ‘Deze vragen gaan over samen spelen met uw kind. Als u terugdenkt aan de laatste week, hoe vaak spelen u en (naam van het kind) samen, schat u?’ Als het antwoord ‘nooit’ is, wordt de volgende vraag overgeslagen.
Vraag 1: ‘Wat spelen jullie het liefst samen?’ Als de ouder ‘tv-kijken’ antwoordt, wordt gevraagd of ouder en kind dan ook met elkaar praten.
Vraag 2: ‘Speelt (naam van het kind) graag in zijn eentje?’ Bij ‘ja’ vragen wat het kind dan het liefste doet.
Score: Bij dit onderdeel kan het kind maar 1 punt halen. Beide situaties/vragen moeten positief beantwoord worden, in de zin dat helder wordt voor de professional welke activiteiten ouder en kind graag samen doen, en of het kind graag alleen speelt en wat het dan doet.
STAP 5: TOTAALSCORE
De punten van het spelenonderdeel (stap 4) en de subscore (stap 3) worden opgeteld.
Bij 4 punten is het resultaat ‘voldoende’
Kinderen met score 2 en 3 (‘twijfel’) krijgen begeleiding door de preventief werkend logopedist of jeugdverpleegkundige aangeboden en er vindt een herbeoordeling na 6 maanden plaats. Ook kinderen die een score 4 (‘voldoende’) hebben maar bij wie de jeugdarts, verpleegkundig specialist of jeugdverpleegkundige twijfels heeft, wordt begeleiding met een herbeoordeling aangeboden.
Bij 0 of 1 punt is de score ‘onvoldoende’ en is verwijzing door de jeugdarts of de verpleegkundig specialist voor multidisciplinaire diagnostiek door een Audiologisch Centrum, noodzakelijk (zie ook: https://www.fenac.nl/site/assets/files/1197/fenac-kits-2.pdf).
Wanneer op basis van bijkomende problematiek een verwijzing naar een medisch specialist (KNO, kinderarts), een multidisciplinair spreekuur voor kinderen met ontwikkelingsproblematiek, een kinderarts, jeugd GGZ, de huisarts of het wijkteam meer van toepassing is, kiest de jeugdarts of de verpleegkundig specialist daarvoor.
7.2 Bijlage 2 Herbeoordeling op de leeftijd van twee jaar en zes maanden
Bijlage 2Herbeoordeling op de leeftijd van twee jaar en zes maanden
(=30 maanden; spreiding 29-33 maanden)
Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden dat ouders vooraf naar de ontwikkeling van hun kind kijken met behulp van de Van Wiechen filmpjes. De JGZ-professional bespreekt de resultaten van de filmpjes en vraagt of ouders zorgen hebben over de taalontwikkeling van hun kind.
Desgewenst kunnen de ontwikkelingskenmerken 41 en 43 via beeldbellen en/of anamnestisch worden afgenomen. Tevens kan via beeldbellen de taalproductie en het gedrag van het kind worden geobserveerd. Voor de uitvoering van kenmerk 44 is het leporelloboek met de Dick Bruna-plaatjes vereist. Een willekeurig plaatjesboek dat de ouder thuis beschikbaar heeft zal niet aan de eisen van het Van Wiechenonderzoek voldoen. In dat geval kan er door de ouders gebruik gemaakt worden van een plaatjesboek, zoals ook opgenomen is in de Van Wiechen filmpjes. Daarmee kan een indruk verkregen worden.
Op basis van het dossier, anamnese, resultaten Van Wiechen filmpjes en onderzoek via beeldbellen kan de professional inschatten of er zorgen zijn over de taalontwikkeling en een face-to-face contact wenselijk is.
Ontwikkelingskenmerk 41: zegt zinnen van 2 of meer woorden
De kinderen met een score 2 of 3 (‘twijfel’) op 2-jarige leeftijd worden op de leeftijd van 2½ jaar opnieuw beoordeeld met behulp van de ontwikkelingskenmerken 41, 43 en 44.
Beoordeling: Als kind spontaan zinnen van 2 of meer woorden gebruikt is de score op dit item positief (+). Wanneer het kind dit niet laat zien in spontane taal (-), dan worden er drie vragen aan de ouder gesteld.
Deze vragen worden afgenomen op identieke wijze als tijdens het contactmoment op 2-jarige leeftijd (Bijlage 1). De professional vraagt aan de ouder over drie situaties in het dagelijks leven, hoe het kind dan reageert. Om te beginnen gaat het over de woordjes van (naam van het kind). Als u aan gisteren denkt:
• Hoe noemt (naam van het kind) mensen in zijn/haar omgeving? (opwarmvraag, telt niet mee in score) • Wat zegt (naam van het kind) als hij/zij iets wil eten of drinken? • Wat zegt (naam van het kind)als hij/zij met speelgoed wil spelen?
Als volgens de ouder het kind in beide situaties 2 of meer woorden gebruikt is de beoordeling positief (+) en in alle andere gevallen negatief (-).
Ontwikkelingskenmerk 43: noemt zichzelf mij of ik
Beoordeling (zie ook https://www.ncj.nl/van-wiechen/kenmerken/): Wanneer het gewenste gedrag tijdens het consult niet kan worden waargenomen, vraagt de professional aan de ouder: ‘Hoe noemt (naam van het kind) zichzelf, bijvoorbeeld als hij/zij iets wil hebben?’
Positief (+): als het kind over zichzelf spreekt benoemt hij/zij zich met ‘mij’ of ‘ik’.
Negatief (-): {het kind spreekt niet over ‘mij’ of ‘ik’, maar benoemt zichzelf met zijn/haar naam of een verbastering daarvan,
of
het kind gebruikt uitsluitend andere persoonlijke voornaamwoorden (jij, jullie)}
en
uit het antwoord van de ouder op de vraag van de professional is niet af te leiden dat het kind zichzelf aanduidt met ‘mij’ of ‘ik’.
Ontwikkelingskenmerk 44: wijst 5 plaatjes aan in boek
Beoordeling (zie ook https://www.ncj.nl/van-wiechen/kenmerken/): De plaatjes moeten worden aangewezen of benoemd. Het gaat om de plaatjes: auto, huis, banaan, stoel, eieren en schoen.
Positief (+): het kind wijst vijf van de zes plaatjes aan of benoemt ze spontaan.
Negatief (-): het kind wijst minder dan vijf van de zes plaatjes aan.
Totaalscore
Indien de gecombineerde score van de 3 ontwikkelingskenmerken < 3 plussen (< +++) is, wordt het kind alsnog verwezen naar een audiologisch centrum.
7.3 Bijlage 3 Beoordeling op de leeftijd van drie jaar
Beoordeling op de leeftijd van drie jaar
(=36 maanden; spreiding 35-39 maanden)
Indien een contact via beeldbellen plaatsvindt wordt dringend aangeraden dat ouders vooraf naar de ontwikkeling van hun kind kijken met behulp van de Van Wiechen filmpjes. De JGZ-professional bespreekt de resultaten van de filmpjes en vraagt of ouders zorgen hebben over de taalontwikkeling van hun kind.
Desgewenst kunnen de ontwikkelingskenmerken 45 en 46 via beeldbellen en/of anamnestisch worden afgenomen. Tevens kan via beeldbellen de taalproductie en het gedrag van het kind worden geobserveerd.
Op basis van het dossier, anamnese, resultaten Van Wiechen filmpjes en onderzoek via beeldbellen kan de professional inschatten of er zorgen zijn over de taalontwikkeling en een face-to-face contact wenselijk is.
Alle kinderen worden op leeftijd van 36 maanden beoordeeld met behulp van ontwikkelingskenmerken 45 en 46.
Ontwikkelingskenmerk 45: zegt zinnen van 3 of meer woorden
Beoordeling (zie ook https://www.ncj.nl/van-wiechen/kenmerken/): Als het gewenste gedrag niet tijdens het consult kan worden waargenomen, vraagt de professional aan de ouder: “Maakt (naam kind) zinnetjes van drie of meer woorden?” en zo ja: “Geeft u eens een voorbeeld”.
Positief (+): bij productie van minimaal drie woorduitingen
Negatief (-): {als het kind niets zegt,
of
bij productie van twee woorduitingen},
en
uit het antwoord van de ouder op de vraag van de professional is niet af te leiden dat het kind zinnen van drie of meer woorden zegt.
Ontwikkelingskenmerk 46: is verstaanbaar voor bekenden
Beoordeling (zie ook https://www.ncj.nl/van-wiechen/kenmerken/): Als het kind niet tot spreken is uit te lokken, vraagt de professional aan de ouder: “Is (naam kind) verstaanbaar voor mensen die niet tot het gezin behoren?” Het gaat erom dat ouders aangeven hoe verstaanbaar hun kind is voor andere personen dan zij zelf en de overige gezinsleden. Dat zijn dus personen, die wel vertrouwd zijn voor het kind, maar die het kind niet dagelijks ziet, zoals bijvoorbeeld buren en grootouders.
Positief (+): als het kind verstaanbaar spreekt voor de professional, dit wil zeggen voor 50 - 75% verstaanbaar.
Negatief (-): als minder dan 50% van wat het kind voor de professional verstaanbaar is of als het kind in het geheel niet spreekt.
en
uit het antwoord van de ouder op de vraag van de professional is niet af te leiden dat het kind verstaanbaar is voor bekenden.
Score
Interpretatie en actie vindt vervolgens plaats volgens onderstaand schema:
Kenmerk 46
“is verstaanbaar voor bekenden”
Kenmerk 45
“zegt zinnen van 3 of meer woorden”
+
─
+
‘voldoende’:
reguliere zorg met blijvende aandacht voor de taalontwikkeling
‘onvoldoende’:
verwijzing door de jeugdarts of verpleegkundig specialist naar een audiologisch centrum
─
‘twijfel’:
Er zijn twee mogelijke vervolgstappen:
Er zijn geen voorgaande negatieve bevindingen: gehoorproblematiek uitsluiten en verwijzing door jeugdartsnaar logopedist. Herbeoordeling door de JGZ A na 4- 6 maanden.
Er zijn wel voorgaande negatieve bevindingen: verwijzing door jeugdarts of verpleegkundig specialist naar een audiologisch centrum.
‘onvoldoende’:
verwijzing door de jeugdarts of verpleegkundig specialist naar een audiologisch centrum.
7.4 Bijlage 4 Begeleiding bij twijfelscore door de logopedist
Begeleiding bij twijfelscore door de logopedist De begeleiding door de logopedist bestaat uit 4 stappen:
Stap 1
Advies eerstefasediagnostiek
Stap 2
Eerstfasediagnostiek door de logopedist
Stap 3
Vervolggesprek met ouders
Stap 4
Evaluatie en herbeoordeling, face-to-face of via beeldbellen
Stap 1: Advies eerstefasediagnostiek
Een ‘twijfel’ score (2 of 3) op leeftijd van 2 jaar betekent dat er reden is tot nadere probleemverkenning door middel van eerstefasediagnostiek (zie stap 3). Een van de mogelijkheden bij een ‘twijfel’ score is de verwijzing naar een logopedist die preventieve werkzaamheden verricht, zo mogelijk binnen het CJG. Deze is er in getraind om zodanig te adviseren dat (langdurige) behandeling in de toekomst kan worden voorkómen of beperkt.
De jeugdverpleegkundige, de verpleegkundig specialist of jeugdarts die het consult op 2–jarige leeftijd heeft uitgevoerd, geeft de ouder informatie over preventieve logopedie en bereikbaarheidsgegevens. Zij/hij bespreekt met de ouder de procedure: de logopedist verricht eerstefase-diagnostiek waarna advies van de logopedist volgt. Aan de ouder van het kind wordt op het consultatiebureau direct een vragenlijst meegegeven met het verzoek die voorafgaand aan het bezoek aan de logopedist in te vullen en mee te nemen. Indien het contact via beeldbellen plaatsvindt wordt de vragenlijst per mail of post opgestuurd.
Binnen de organisatie wordt bepaald welke lijst men gaat meegeven aan de ouder.
Hiervoor kan een keuze gemaakt worden uit de volgende vragenlijsten (zie ook bijlage 6 Overzicht van beschikbare instrumenten):
De jeugdarts of de verpleegkundig specialist geeft aan de ouder een verwijzing voor logopedie en kruist hierop aan:
• Eenmalig logopedisch onderzoek. • Aan huis toeslag.
De ouder wordt geadviseerd zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de logopedist. De betreffende logopedist verricht binnen vier weken na aanmelding de eerstefasediagnostiek.
Stap 2: Eerstefasediagnostiek door logopedist
Het doel van het consult bij de logopedist is om de voorwaarden voor spraaktaalontwikkeling te beoordelen en samen met de ouder aan het kind de juiste interventie te bieden. Het consult logopedie wordt bij voorkeur uitgevoerd door een preventief werkende logopedist. De logopedist gebruikt bij het consult vragenlijsten en een genormeerd observatie instrument voor kinderen van anderhalf tot vier jaar. Het consult duurt 60 minuten.
De logopedist kan na een eerste onderzoek een uitspraak doen over de vraag of er een spraak- en/of taalontwikkelingsprobleem bestaat en aangeven in welke richting de verdere diagnostiek het beste kan plaatsvinden. Naast het advies op maat maakt de logopedist samen met de ouder een inschatting of de ouder zich in staat acht de adviezen op te volgen. Daarbij wordt gekeken naar stimulerende omstandigheden, ruimte, tijd, algehele ontwikkeling, initiatief, contact, frustratie enz. Samen met de ouder wordt het vervolgtraject vastgelegd. Een vervolgafspraak is noodzakelijk om het effect te kunnen beoordelen.
Op basis van dit consult zijn twee conclusies mogelijk:
A. Twijfel t.a.v. taalontwikkeling:
• De logopedist geeft de ouder logopedisch advies voor de thuissituatie (gebaseerd op de basisprincipes van het Hanenprogramma) en de Gereviseerde Groninger Minimum Spreeknormen mee. Hierdoor kan de ouder zelf de spraak- en taalontwikkeling blijven volgen. Binnen drie maanden wordt een vervolgafspraak bij de logopedist gepland om de resultaten van de adviezen te kunnen bespreken.
• Afhankelijk van de hulpvraag overlegt de logopedist met de jeugdarts of de verpleegkundig specialist of er alsnog voor een ander vervolgtraject moet worden gekozen. In dit geval is een vervolgafspraak bij de logopedist niet nodig omdat het kind in een ander traject terechtkomt.
B. Geen twijfel t.a.v. taalontwikkeling:
De logopedist geeft de ouder informatiefolders mee zodat de ouder zelf de taalontwikkeling kan blijven volgen. Hierna volgt stap 4.
De JGZ wordt altijd op de hoogte gebracht van de bevindingen.
Stap 3: Vervolg bij twijfel t.a.v. spraaktaalontwikkeling
Indien er twijfel is na de eerstefasediagnostiek vindt na drie maanden een vervolggesprek plaats tussen de ouder van het kind en de logopedist. De logopedist gaat samen met de ouder na in hoeverre het lukt om de gegeven adviezen te gebruiken in de thuissituatie. Ook bespreekt hij/zij of de ouder al effect merkt. Het consult duurt 30 minuten.
Indien nodig geeft de logopedist aanvullende adviezen voor de thuissituatie.
Na afloop van het consult wordt de jeugdarts of de verpleegkundig specialist op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het consult. Als de logopedist tijdens de controle inschat dat advisering alleen toch niet voldoende is, kan in overleg met de jeugdarts of verpleegkundig specialist alsnog voor een vervolgtraject worden gekozen.
Stap 4: Evaluatie en herbeoordeling door de jeugdgezondheidszorg op de leeftijd van 2 jaar en 6 maanden
Herbeoordeling van de taal vindt plaats door een jeugdarts, verpleegkundig specialist of jeugdverpleegkundige. De uitslag wordt met de ouder besproken en afhankelijk van de uitslag worden zo nodig vervolgstappen afgesproken.
7.5 Bijlage 5 Begeleiding bij twijfelscore door de jeugdverpleegkundige
Begeleiding bij twijfelscore door de jeugdverpleegkundige
Begeleiding door de jeugdverpleegkundige bestaat uit 4 stappen:
Stap 1
Uitdelen en toelichten formulieren
Stap 2
Huisbezoek met plan van aanpak
Stap 3
Telefonisch of beeldbelconsult
Stap 4
Evaluatie en herbeoordeling, face-to-face of via beeldbellen
Stap 1: Direct na de uitslag; uitdelen en toelichten formulieren
De professional die het contactmoment op 2-jarige leeftijd uitvoert, is verantwoordelijk voor de eerste stap in de begeleiding. Direct nadat de uitslag van 2-3 punten (‘twijfel’) bekendgemaakt is aan de ouder wordt uitgelegd dat het nodig is meer aandacht aan de taalontwikkeling van het kind te geven. Deze aandacht bestaat uit een huisbezoek door de jeugdverpleegkundige waarin samen met de ouder een plan van aanpak wordt gemaakt voor het stimuleren van de taal van het kind afgestemd op hun specifieke situatie. De jeugdverpleegkundige geeft de ouder drie formulieren mee: twee vragenlijsten en een observatieopdracht:
• Momenten van de dag geschikt voor taal. • Welke dingen vind je makkelijk en moeilijk. • Kijken hoe je kind speelt.
Zij vraagt de ouder deze formulieren voor het huisbezoek in te vullen en de opdracht uit te voeren. De jeugdverpleegkundige maakt binnen 14 dagen een afspraak voor dit huisbezoek. Na professionele afweging en in samenspraak met ouders kan gekozen worden voor een beeldbel afspraak in plaats van een huisbezoek.
Stap 2: Huisbezoek; plan van aanpak
Samen met de ouder neemt de jeugdverpleegkundige de ingevulde formulieren en de resultaten van de opdracht door. Op basis hiervan maken zij samen een plan van aanpak waarmee de ouder in de komende drie maanden aan de slag gaat. In dat plan van aanpak wordt beschreven wat de ouder de komende tijd wil gaan doen om de taalontwikkeling te stimuleren en hoe de ouder dat gaat doen. In dit huisbezoek krijgt de ouder ook zicht op de mogelijkheden die in de buurt van het gezin aanwezig zijn en die ingezet kunnen worden om de taal te stimuleren.
Ter voorbereiding van de ouder op het expliciet stimuleren van de taal van het kind wordt met de ouder geïnventariseerd hoe een aantal tips het beste in de dagelijkse praktijk toegepast kan worden. Daarnaast wordt als ondersteuning voor deze toepassing een aantal videofragmenten aan de ouder getoond. Hiervoor zijn materialen beschikbaar in de toolkit. Bij de deskundigheidsbevordering wordt de manier van inzetten besproken. De jeugdverpleegkundige bespreekt met de ouder dat er na ongeveer een maand een telefonisch of beeldbelcontactmoment zal zijn waarin ze samen bekijken of de ouder erin slaagt het plan van aanpak uit te voeren. Ook informeert de jeugdverpleegkundige de ouder nog een keer dat er een herbeoordeling van de taalontwikkeling zal plaatsvinden op de leeftijd van 2 jaar en 6 maanden om te kijken wat de resultaten van de taalstimulering zijn en of de taal zich op die leeftijd voldoende heeft ontwikkeld.
Stap 3: Telefonisch of beeldbelconsult; evaluatie plan van aanpak
In het telefonisch of beeldbelconsult bespreekt de jeugdverpleegkundige met de ouder hoe het gaat. In het gesprek is aandacht voor de volgende onderdelen:
• De ervaring van de ouder met het plan van aanpak. • Heeft de ouder dingen gewijzigd omdat die bijvoorbeeld beter lijken te werken? • Zijn er veranderingen bij het kind zichtbaar? • Zijn er problemen waar de ouder tegenaan is gelopen? • Is het nodig het plan bij te stellen? • Kan de ouder verder met het plan van aanpak tot de herbeoordeling bij 2 jaar en 6 maanden? • Heeft de ouder nog vragen of is extra uitleg nodig?
Als de ouder veel problemen ondervindt, wordt het plan van aanpak herzien of opnieuw besproken.
Stap 4: Consult op consultatiebureauface-to-face of via beeldbellen; evaluatie en herbeoordeling (2 jaar en 6 maanden)
In stap 4 wordt de afgelopen periode geëvalueerd met de ouder:
• Hoe is het gegaan met de taalactiviteiten? • Is het gelukt om actief bezig te zijn met taalactiviteiten via het plan van aanpak? • Wat ging goed? Wat ging minder goed? • Wat ziet zij/hij bij haar/zijn kind?
Daarna vindt de herbeoordeling van de taal plaats. De uitslag wordt met de ouder besproken en afhankelijk van de uitslag worden zo nodig vervolgstappen afgesproken.
7.5.1 Bijlage 6 Overzicht van Nederlandstalige instrumenten
Nederlandstalige instrumenten
Leeftijd
Instrument
Referentie
Doel
Bron
Validiteit
Toepasbaar als Nederlands niet de moedertaal is?
Toepasbaarheid in de JGZ?
0-54 mnd
Van Wiechen
Laurent de Angulo, 2008
Beoordelen van de taalontwikkeling in combinatie met de overige ontwikkelingsvelden
Observatie door de JGZ-professional en navraag bij ouders/
verzorgers
18 van de 23 communicatie-kenmerken hadden een specificiteit van 95% of hoger. De sensitiviteit van de kenmerken was voor 19 van de 23 kenmerken lager dan 50% (Diepeveen, 2016)
+/-
+
Bij alle organisaties in gebruik.
23-29 mnd
VTO Taal
De Ridder, 2006
Problemen in de taalontwikkeling te signaleren; meet taalbegrip, taalproductie en interactie tussen ouder en kind.
Ouders/
verzorgers
Sensitiviteit 24-52%, specificiteit 97-98% (De Koning, 2004).
Er zijn aanwijzingen dat met behulp van het VTO Taal instrument kinderen met taalproblemen eerder worden opgespoord dan met het Van Wiechen Onderzoek, maar dit is niet bewezen.
+/-
+
15-27 mnd
Lexilijst Nederlands
Schlichting, 2002
Meet taalproductie
Ouders/
verzorgers
Gebaseerd op twee internationaal geaccepteerde instrumenten , de Language Development Survey (LDS) en de Communicative Development Inventories (CDI) (zie onder). De sensitiviteit en specificiteit voor de Nederlandstalige versie zijn niet onderzocht. De begrips- en criterium validiteit zijn door de COTAN beoordeeld als voldoende tot goed
–
+
15-25 mnd
Lexilijst Begrip
Schlichting, 2009
Aanvullend aan Lexilijst Nederlands. Meet taalbegrip.
Ouders/ verzorgers
De betrouwbaarheid van de Lexilijst Begrip is hoog, namelijk van .97 tot .98, afhankelijk van de leeftijdsgroep. De test-hertestbetrouwbaarheid, bepaald in een onderzoek bij 36 kinderen, bleek .84 te zijn (Schlichting & Lutje Spelberg, 2009). Criteriumvaliditeit op 15-25 maanden is .52
–
+
vanaf 3 jaar
Non-woord repetitietaak (NRT)
Roy, 2004
Beoordeelt de voorwaarden voor- en uitingen van communicatie (zowel verbaal als non-verbaal)
Ouders/
verzorgers
Geen gegevens over validiteit, sensitiviteit, en specificiteit bekend. Recente studies naar de Engelstalige Nonword Repetition Tests laten lage sensitiviteit zien
+
+/-
Afname gebeurt door een getrainde logopedist, afnameduur circa 10 minuten
Goorhuis-Brouwer, 1995 en http://www.simea.nl/vhz/artikelen/2007/2007-5-artikel-2.pdf
Beknopt instrument met minimum normen: voldoet het kind aan de minimum spreeknormen voor zijn leeftijd. Gericht op de taalproductie.
De GMS is doorontwikkeld tot de SNEL.
Ouders/
verzorgers
Geen betrouwbare gegevens over sensitiviteit en specificiteit.
+
+
Afname duur 2-3 minuten
1-6 jaar
SNEL
Luinge, 2005
Spoort taalproblemen op aan de hand van beoordeling van taalproductie, het taalbegrip en verstaanbaarheid
Ouders/
Verzorgers en leerkracht
Voor 12 tot 27 mnd: sensitiviteit 94%, specificiteit 83%
+
+
Het instrument bestaat uit 14 korte ja/nee-vragen die in circa 3 minuten door ouders beantwoord kunnen worden
1-6 jaar
ELS-NL
Luinge
Beoogt de spraaktaalontwikkeling van kinderen te meten. De items hebben betrekking op verstaanbaarheid, semantiek, grammatica en pragmatiek.
Ouders/
verzorgers
Voor 15-71 maanden: sensitiviteit 60% (95% BI 41%-77%), specificiteit 93% (95% BI 88%-96%)
+
+
De ELS-NL is nog niet beschikbaar voor gebruik in de praktijk
16-20 mnd
N-CDI Lijsten
Zink, 2002, 2003 en 2007
Bij kinderen van 16-20 maanden wordt taalbegrip en taalproductie gemeten.
Bij kinderen tussen 30-37 maanden woordenschat, grammatica, taalbegrip en de taalproductie algemeen.
Ouders/
verzorgers
De N-CDI lijsten zijn erkend in Vlaanderen door RIZIV. Betrouwbaarheid en validiteit zijn daar als goed beoordeeld. Ze zijn niet in NL beoordeel door de COTAN.
–
–
Is vertaald en aangepast voor Vlaamstalige kinderen, en in de huidige vorm niet direct inzetbaar
24-31 mnd
Lexiconlijst
Schlichting, 2009
Meet de actieve woordenschat van tweetalige kinderen. Ook beschikbaar voor Marokkaans-Arabisch-Nederlands, Tarifit-Berbers-Nederlands, Turks-Nederlands (Schlichting, 2006).
Ouders/ verzorgers
De Tweetalige Lexiconlijsten zijn genormeerd. De betrouwbaarheid van de items varieert van 0,94 tot 0,99. Valideringsonderzoek is niet beschikbaar.
++
+
Ouders kruisen de woorden aan die hun kind zegt. Hetzelfde woord kan dan in één taal of in twee talen worden aangekruist.
24 mnd
VLOT
Oudgenoeg-Paz, 2017
Beoogt risico- en beschermende factoren in de taalomgeving van jonge kinderen te signaleren
Ouders/
verzorgers
De sensitiviteit van de VLOT is naar schatting 70% en de specificiteit 77%.
+
+/ –
Aanvullend op standaard werkwijze. Afname duur 5 minuten. Verwachte prevalentie van onvoldoende taalblootstelling is 25% van de populatie jeugdigen..
Referenties
Goorhuis-Brouwer, S.M. & Lucht, van der, F. (1995). Signaleren van taalontwikkelingsstoornissen. Tijdschrift Jeugdgezondheidszorg, 27(5): 79-82
Laurent de Angulo, M.S., Brouwers-de Jong, E.A., Bijlsma-Schlösser, J.F.M., Bulk-Bunschoten, A.M.W., Pauwels, J.H., Steinbuch-Linstra, I. (2008). Ontwikkelingsonderzoek in de Jeugdgezondheidszorg. Het Van Wiechenonderzoek, De Baecke-Fassaert Motoriektest. Assen, Van Gorcum.
Luinge, M.R. (2005). The Language-screening instrument SNEL. Dissertation Rijksuniversiteit Groningen. Te verkrijgen via: http://irs.ub.rug.nl/ppn/288245946
Oudgenoeg-Paz, O., Leseman, P. (2017). Validering van de VLOT Omgevingsanalyse: Eindrapportage. Utrecht: Universiteit Utrecht.
Ridder, de, J.G., Stege, van der, H.A., Agt, van, H.M.E., Koning, de, H.J., Verhoeven, L.T.W. (2006). VTO taal 2-jarigen: handleiding. Amsterdam: Harcourt Test Publishers.
Roy, P., & Chiat, S. (2004). A prosodically controlled word and nonword repetition task for 2-to 4-year-olds: Evidence from typically developing children. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 47(1), 223-234.
Schlichting, L. (2006). Lexiconlijsten, Marokkaans-Arabisch, Tarifit-Berbers en Turks. Instrument om de taalontwikkeling te onderzoeken bij jonge Marokkaanse en Turkse kinderen in Nederland. Amsterdam: JIP
Schlichting, J.E.P.T., Lutje Spelberg, H.C. (2002). Lexilijst Nederlands: een instrument om de taalontwikkeling te onderzoeken bij Nederlandstalige kinderen van 15-27 maanden in het kader van vroegtijdige onderkenning. Lisse: Swets test publishers.
Zink I, Lejaegere M. (2002). N-CDIs Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling: aanpassing en hernormering van de MacArthur CDIs van Fenson et al. Leuven, Uitgeverij Acco.
Zink I, Lejaegere M. (2003). N-CDIs: Korte vormen. Aanpassing en hernormering van de MacArthur Short Form Vocabulary Checklists van Fenson et al. Leuven, Uitgeverij Acco.
Zink I, Lejaegere M. (2007). N-CDI 3: Aanpassing en hernomering van de MacArthur CDI: Level III van Dale et al (2000). Leuven/Voorburg, Uitgeverij Acc.
7.5.2 Bijlage 7 Mijlpalen in de taalontwikkeling (SNEL)
Mijlpalen in de taalontwikkeling (SNEL)
SNEL (Spraak- en taalNormen EersteLijns gezondheidszorg) is een instrument dat is bedoeld voor de opsporing van taalproblemen bij kinderen van 1 tot 6 jaar. Het instrument omvat een vragenlijst bestaande uit 14 gesloten vragen aan ouders/verzorgers. De vragen gaan over mijlpalen in de taalontwikkeling (Bijvoorbeeld: Maakt uw kind al zinnetjes van 2 woorden, bijv. “koekje eten?”). Uitgangspunt voor de ontwikkeling van SNEL was dat de taalontwikkeling in fasen verloopt en kan worden beschreven op basis van (universele) mijlpalen; alsmede dat op basis van vertraging in de verwerving van dergelijke mijlpalen mogelijke taalproblemen gesignaleerd kunnen worden.
Voor de ontwikkeling van de SNEL is de normale taalontwikkeling is in kaart gebracht op basis van een steekproef van 527 kinderen uit verschillende delen (noord, oost, zuid, en west) van Nederland op basis van de vragenlijst van deze 26 vragen. Een schaalanalyse van deze vragenlijst op basis van de assumpties van het Mokkenmodel resulteerde uiteindelijk in een schaal bestaande uit 14 vragen over mijlpalen in de taalontwikkeling, te weten SNEL. Deze 14 vragen waren volgens de schaalanalyse goed schaalbaar (H=0.95) en discrimineerden goed tussen verschillende fasen in de taalontwikkeling. Tevens gaven deze vragen een interne betrouwbaarheid van 0.96. Voor de validatie van SNEL is geverifieerd of de uitkomsten van SNEL overeen kwamen met de uitkomsten van een uitgebreide taaltest (Schlichtingtest voor Taalproductie), op basis van 84 kinderen uit de steekproef. Daarnaast is ook bij ouders/verzorgers van 14 kinderen met een taalstoornis uit een klinische populatie de Schlichtingtest voor Taalproductie en de vragenlijst van SNEL afgenomen. Uit de resultaten bleek dat de samenhang tussen SNEL en de uitgebreide taaltest voor taalproductie goed was, dat de sensitiviteit en specificiteit van SNEL voor het 10e percentiel respectievelijk 0.94 en 0.83 waren, en dat de accuraatheid om taalproblemen op te sporen 0.94 was.
SNEL-Vragen
1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. “jas aan”, “papa boek”) 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. “Waar zit je neus?” 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? 4. Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden (bijv. “op de stoel”, “in de tuin”) 5. Kan uw kind twee woordjes combineren zoals “papa boek” of “kijk poes”? 6. Kan uw kind zinnetjes van 3 woorden maken? (bijv. “popje muts ophebben”, “auto in garage”) 7. Zet uw kind 3 tot 4 woorden achter elkaar? (bijv. “ik koekje wil hebben”, “wij gaan ook zingen”) 8. Kunt u ongeveer de helft van uw kind verstaan? 9. Vertelt uw kind weleens spontaan een verhaaltje? (bijv. over wat uw kind die dag heeft gedaan) 10. Kan uw kind een verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes? 11. Kunt u ongeveer driekwart van uw kind verstaan? 12. Maakt uw kind ook heel lange zinnen? (bijv. “Als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden.”) 13. Kunt u bijna alles van uw kind verstaan? 14. Praat uw kind als een volwassene qua taalgebruik, vindt u?
Ja = 1 Nee = 0
Tabel: Leeftijd en SNELscore op het 10e percentiel
Leeftijd (maanden)
SNELscore* op het 10e percentiel
12-17
0
18-19
1
20-21
2
22-24
3
25-26
4
27-29
5
30-32
6
33-36
7
37-41
8
42-46
9
47-54
10
55-64
11
65-82
12
*Snelscore is gebaseerd op het aantal mijlpalen in de taalontwikkeling dat beheerst wordt (zie ook SNEL-vragen). Als dit minder is dan het aantal op het 10e percentiel is er mogelijk een taalachterstand/afwijking. Op het 10e percentiel is twijfel en boven het 10e percentiel is in orde.
De volgende mijlpalen moeten dan minimaal behaald zijn op de volgende leeftijden:
Leeftijdsgroep
Mijlpalen die minimaal behaald moeten zijn
Op leeftijd van 2 jaar (=24 maanden)
– Begrip opdrachtjes van 2 woorden
1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. “jas aan”, “papa boek”) – Aanwijzen van lichaamsdelen 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. “Waar zit je neus?” – Productie van ongeveer 10 woordjes 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes?
Op leeftijd van 2 jaar en 6 maanden (=30 maanden)
– Begrip opdrachtjes van 2 woorden 1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. “jas aan”, “papa boek”) – Aanwijzen van lichaamsdelen 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. “Waar zit je neus?” – Productie van ongeveer 10 woordjes 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? – Begrip zinnetjes van 3 woorden 4. Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden (bijv. “op de stoel”, “in de tuin”) – Productie 2-woordzinnetje 5. Kan uw kind twee woordjes combineren zoals “papa boek” of “kijk poes”?
Op leeftijd van 3 jaar (=36 maanden)
– Begrip opdrachtjes van 2 woorden 1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. “jas aan”, “papa boek”) – Aanwijzen van lichaamsdelen 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. “Waar zit je neus?” – Productie van ongeveer 10 woordjes 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? – Begrip zinnetjes van 3 woorden 4. Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden (bijv. “op de stoel”, “in de tuin”) – Productie 2-woordzinnetje 5. Kan uw kind twee woordjes combineren zoals “papa boek” of “kijk poes”? – Productie 3-woordzinnetje 6. Kan uw kind zinnetjes van 3 woorden maken? (bijv. “popje muts opheb- ben”, “auto in garage”) – Productie 3 tot 4 woordzin 7. Zet uw kind 3 tot 4 woorden achter elkaar? (bijv. “ik koekje wil hebben”, “wij gaan ook zingen”)
Op leeftijd van 6 jaar (=72 maanden)
– Begrip opdrachtjes van 2 woorden 1. Begrijpt uw kind opdrachtjes van 2 woorden? (bijv. “jas aan”, “papa boek”) – Aanwijzen van lichaamsdelen 2. Kan uw kind 1 of meer lichaamsdelen aanwijzen (bijv. “Waar zit je neus?” – Productie van ongeveer 10 woordjes 3. Zegt uw kind in totaal ongeveer 10 woordjes? – Begrip zinnetjes van 3 woorden 4. Begrijpt uw kind zinnetjes van 3 woorden (bijv. “op de stoel”, “in de tuin”) – Productie 2-woordzinnetje 5. Kan uw kind twee woordjes combineren zoals “papa boek” of “kijk poes”? – Productie 3-woordzinnetje 6. Kan uw kind zinnetjes van 3 woorden maken? (bijv. “popje muts opheb- ben”, “auto in garage”) – Productie 3 tot 4 woordzin 7. Zet uw kind 3 tot 4 woorden achter elkaar? (bijv. “ik koekje wil hebben”, “wij gaan ook zingen”) – Verstaanbaarheid 8. Kunt u ongeveer de helft van uw kind verstaan? – Spontaan een verhaaltje vertellen 9. Vertelt uw kind weleens spontaan een verhaaltje? (bijv. over wat uw kind die dag heeft gedaan) – Verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes 10. Kan uw kind een verhaaltje navertellen bij een aantal plaatjes? – Verstaanbaarheid 11. Kunt u ongeveer driekwart van uw kind verstaan? -Samengestelde zinnen 12. Maakt uw kind ook heel lange zinnen? (bijv. “Als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden.”)
7.5.3 Bijlage 8 Europees Referentiekader
Europees Referentiekader
Basisgebruiker
A1
Kan vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen gericht op de bevrediging van concrete behoeften begrijpen en gebruiken. Kan zichzelf aan anderen voorstellen en kan vragen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij/zij woont, mensen die hij/zij kent en dingen die hij/zij bezit. Kan op een simpele wijze reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat en bereid is om te helpen.
A2
Kan zinnen en regelmatig voorkomende uitdrukkingen begrijpen die verband hebben met zaken van direct belang (bijvoorbeeld persoonsgegevens, familie, winkelen, plaatselijke geografie, werk). Kan communiceren in simpele en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling over vertrouwde en alledaagse kwesties vereisen. Kan in eenvoudige bewoordingen aspecten van de eigen achtergrond, de onmiddellijke omgeving en kwesties op het gebied van diverse behoeften beschrijven.
Onafhankelijk gebruiker
B1
Kan de belangrijkste punten begrijpen uit duidelijke standaardteksten over vertrouwde zaken die regelmatig voorkomen op het werk, op school en in de vrije tijd. Kan zich redden in de meeste situaties die kunnen optreden tijdens het reizen in gebieden waar de betreffende taal wordt gesproken. Kan een eenvoudige lopende tekst produceren over onderwerpen die vertrouwd of die van persoonlijk belang zijn. Kan een beschrijving geven van ervaringen en gebeurtenissen, dromen, verwachtingen en ambities en kan kort redenen en verklaringen geven voor meningen en plannen.
Vaardig gebruiker
C1
Kan een uitgebreid scala van veeleisende, lange teksten begrijpen en de impliciete betekenis herkennen. Kan zichzelf vloeiend en spontaan uitdrukken zonder daarvoor aantoonbaar naar uitdrukkingen te moeten zoeken. Kan flexibel en effectief met taal omgaan ten behoeve van sociale, academische en beroepsmatige doeleinden. Kan een duidelijke, goed gestructureerde en gedetailleerde tekst over complexe onderwerpen produceren en daarbij gebruikmaken van organisatorische structuren en verbindingswoorden.
C2
Kan vrijwel alles wat hij hoort of leest gemakkelijk begrijpen. Kan informatie die afkomstig is van verschillende gesproken en geschreven bronnen samenvatten, argumenten reconstrueren en hiervan samenhangend verslag doen. Kan zichzelf spontaan, vloeiend en precies uitdrukken en kan hierbij fijne nuances in betekenis, zelfs in complexere situaties, onderscheiden.
Referenties
[1] Badcock NA, Bishop DVM, Hardiman MJ, Barry JG, Watkins KE. Co-localisation of abnormal brain structure and function in specific language impairment. Brain and language 2012;120(3):310-20
[2] Beitchman JH, Wilson B, Johnson CJ, Atkinson L, Young A, Adlaf E, Escobar M, Douglas L. Fourteen-year follow-up of speech/language-impaired and control children: psychiatric outcome. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry 2001;40(1):75-82
[5] Bishop DV, North T, Donlan C. Genetic basis of specific language impairment: evidence from a twin study. Developmental medicine and child neurology 1995;37(1):56-71
[6] Blackwell A.K.M., Harding S., Babayigit S., Roulstone S.. Characteristics of parent-child interactions: A systematic review of studies comparing children with primary language impairment and their typically developing peers. Communication Disorders Quarterly 2014;36 (2)():56
[9] Bon I., Sanders T.. Handleiding Boekenpret 0-2 jaar 2004
[10] van den Broek P, Rach GH, Zielhuis GA. [Is otitis media with effusion harmful for language development in young children]. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 1988;132(41):1885-8
[11] Bronkhorst J.B.M., Eimers T., Embrechts M.. Spraak, taal en leren 2011;5(Springer Science & Business Media.):
[12] Brownlie EB, Jabbar A, Beitchman J, Vida R, Atkinson L. Language impairment and sexual assault of girls and women: findings from a community sample. Journal of abnormal child psychology 2007;35(4):618-26
[13] Broomfield J, Dodd B. Is speech and language therapy effective for children with primary speech and language impairment? Report of a randomized control trial. International journal of language & communication disorders 2011;46(6):628-640
[14] Brownlie EB, Beitchman JH, Escobar M, Young A, Atkinson L, Johnson C, Wilson B, Douglas L. Early language impairment and young adult delinquent and aggressive behavior. Journal of abnormal child psychology 2004;32(4):453-67
[15] Buekers R., Degens H.. Classificatie van kinderen met taalontwikkelingsstoornissen op het Audiologisch Centrum Stem-, Spraak- en Taalpathologie 2011;15():53
[16] Burger E, van de Wetering M., van Weerdenburg M.. Kinderen met specifieke taalstoornissen. (Be)handelen en begeleiden in zorg en onderwijs. 2012
[17] Buschmann A,, Multhauf B., Hasselhorn M., Pietz J. Long-term effects of a parent-based language intervention on language outcomes and working memory for late-talking toddlers. Journal of Early Intervention 2015;37(2)():175
[19] Chung C-Y, Liu W-Y, Chang C-J, Chen C-L, Tang SF-T, Wong AM-K. The relationship between parental concerns and final diagnosis in children with developmental delay. Journal of child neurology 2011;26(4):413-9
[20] Cirrin FM, Gillam RB. Language intervention practices for school-age children with spoken language disorders: a systematic review. Language, speech, and hearing services in schools 2008;39(1):S110-37
[21] Clegg J, Hollis C, Mawhood L, Rutter M. Developmental language disorders--a follow-up in later adult life. Cognitive, language and psychosocial outcomes. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2005;46(2):128-49
[22] Collisson BA, Graham SA, Preston JL, Rose MS, McDonald S, Tough S. Risk and Protective Factors for Late Talking: An Epidemiologic Investigation. The Journal of pediatrics 2016;172():168-174.e1
[23] Colmar S.H.. A parent-based book-reading intervention for disadvantaged children with language difficulties. Child Language Teaching and Therapy 2014;30(1)( ):79
[24] Conti-Ramsden G, Mok PLH, Pickles A, Durkin K. Adolescents with a history of specific language impairment (SLI): strengths and difficulties in social, emotional and behavioral functioning. Research in developmental disabilities 2013;34(11):4161-9
[25] Conti-Ramsden G, Simkin Z, Botting N. The prevalence of autistic spectrum disorders in adolescents with a history of specific language impairment (SLI). Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2006;47(6):621-8
[26] Dale PS, Simonoff E, Bishop DV, Eley TC, Oliver B, Price TS, Purcell S, Stevenson J, Plomin R. Genetic influence on language delay in two-year-old children. Nature neuroscience 1998;1(4):324-8
[27] de Koning HJ, de Ridder-Sluiter JG, van Agt HME, Reep-van den Bergh CMM, van der Stege HA, Korfage IJ, Polder JJ, van der Maas PJ. A cluster-randomised trial of screening for language disorders in toddlers. Journal of medical screening 2004;11(3):109-16
[28] Diepeveen FB, van Dommelen P, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Concise tool based on language milestones identifies children with specific language impairment at 24-45 months of age. Acta paediatrica (Oslo, Norway : 1992) 2018;107(12):2125-2130
[29] Diepeveen FB, van Dommelen P, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Specific language impairment is associated with maternal and family factors. Child: care, health and development 2017;43(3):401-405
[30] Diepeveen FB, De Kroon MLA, Dusseldorp E, Snik AFM. Among perinatal factors, only the Apgar score is associated with specific language impairment. Developmental medicine and child neurology 2013;55(7):631-5
[31] Diepeveen FB, Dusseldorp E, Bol GW, Oudesluys-Murphy AM, Verkerk PH. Failure to meet language milestones at two years of age is predictive of specific language impairment. Acta paediatrica (Oslo, Norway : 1992) 2016;105(3):304-10
[32] Diepeveen F.B., Dusseldorp E., Carmiggelt E.C., Uilenburg N., Verkerk P.H.. De predictieve validiteit van de handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden’. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016;48():26
[34] Durkin K., Conti-Ramsden G.. Young people with specific language impairment: A review of social and emotional functioning in adolescence. Child Language Teaching and Therapy 2010;26():105
[35] Finlay JCS, McPhillips M. Comorbid motor deficits in a clinical sample of children with specific language impairment. Research in developmental disabilities 2013;34(9):2533-42
[36] Flapper BCT, Schoemaker MM. Developmental coordination disorder in children with specific language impairment: co-morbidity and impact on quality of life. Research in developmental disabilities 2013;34(2):756-63
[37] Fukkink R., Jilink L., Oostdam R.. Met een blik op de toekomst. Een meta-analyse van de effecten van VVE op de ontwikkeling van kinderen in Nederland. 2015
[42] Hadley PA, Rice ML. Conversational responsiveness of speech- and language-impaired preschoolers. Journal of speech and hearing research 1991;34(6):1308-17
[43] Harrison LJ, McLeod S. Risk and protective factors associated with speech and language impairment in a nationally representative sample of 4- to 5-year-old children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2010;53(2):508-29
[44] Hayiou-Thomas ME. Genetic and environmental influences on early speech, language and literacy development. Journal of communication disorders 2008;41(5):397-408
[45] Hayiou-Thomas ME, Dale PS, Plomin R. Language impairment from 4 to 12 years: prediction and etiology. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2014;57(3):850-64
[50] Huttenlocher J, Vasilyeva M, Waterfall HR, Vevea JL, Hedges LV. The varieties of speech to young children. Developmental psychology 2007;43(5):1062-83
[51] Johnson CJ, Beitchman JH, Brownlie EB. Twenty-year follow-up of children with and without speech-language impairments: family, educational, occupational, and quality of life outcomes. American journal of speech-language pathology 2010;19(1):51-65
[52] Knuijt S., Sondaar M.. De spraak-taalontwikkeling van ex-premature kinderen op de leeftijd van vijf jaar. Tijdschrift voor kindergeneeskunde 2001;69 (2)():159
[53] Korpilahti P, Kaljonen A, Jansson-Verkasalo E. Identification of biological and environmental risk factors for language delay: The Let's Talk STEPS study. Infant behavior & development 2016;42():27-35
[54] Kruythoff-Broekman A., Wiefferink K., Uilenburg N.. Effectiviteit van Target Word bij ‘late talkers’. Een onderzoek naar het effect van het Hanen ouderprogramma Target Word op de taalontwikkeling van ‘late talkers’. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016;48 (6)():134
[55] Laurent de Angulo M.S., Brouwers-de Jong E.A., Bijlsma-Schlösser J.F.M., Bulk-Bunschoten A.M.W., Pauwels A.H.W., Steinbuch-Linstra I.. Ontwikkelingsonderzoek in de Jeugdgezondheidszorg. Het Van Wiechenonderzoek, De Baecke-Fassaert Motoriektest. 2008
[56] Law J, Boyle J, Harris F, Harkness A, Nye C. Prevalence and natural history of primary speech and language delay: findings from a systematic review of the literature. International journal of language & communication disorders 2000;35(2):165-88
[57] Law J, Boyle J, Harris F, Harkness A, Nye C. The feasibility of universal screening for primary speech and language delay: findings from a systematic review of the literature. Developmental medicine and child neurology 2000;42(3):190-200
[58] Law J, Garrett Z, Nye C. The efficacy of treatment for children with developmental speech and language delay/disorder: a meta-analysis. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2004;47(4):924-43
[59] Leseman P., Veen A.. Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen. Resultaten uit het pre-COOL cohortonderzoek. 2016
[60] Lindsay G, Dockrell JE, Strand S. Longitudinal patterns of behaviour problems in children with specific speech and language difficulties: child and contextual factors. The British journal of educational psychology 2007;77(Pt 4):811-28
[64] Luinge M.R.. Taalontwikkeling van kinderen. In: Van baby tot kleuter; over de indrukwekkende en veelzijdige ontwikkeling van kinderen van 0-4. 2015
[65] McArthur GM, Hogben JH, Edwards VT, Heath SM, Mengler ED. On the "specifics" of specific reading disability and specific language impairment. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines 2000;41(7):869-74
[66] McLeod S, Harrison LJ. Epidemiology of speech and language impairment in a nationally representative sample of 4- to 5-year-old children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2009;52(5):1213-29
[67] Miniscalco C, Nygren G, Hagberg B, Kadesjö B, Gillberg C. Neuropsychiatric and neurodevelopmental outcome of children at age 6 and 7 years who screened positive for language problems at 30 months. Developmental medicine and child neurology 2006;48(5):361-6
[68] Mol S.E., Bus A.G., de Jong M.T., Smeets D.J.H.. Added value of dialogic parent-child book readings: A meta-analysis. Early Education and Development 2008;19(1)():7
[70] Needlman R, Silverstein M. Pediatric interventions to support reading aloud: how good is the evidence? Journal of developmental and behavioral pediatrics : JDBP 2004;25(5):352-63
[71] Nelson HD, Nygren P, Walker M, Panoscha R. Screening for speech and language delay in preschool children: systematic evidence review for the US Preventive Services Task Force. Pediatrics 2006;117(2):e298-319
[73] Oudgenoeg-Paz O., Leseman P.. Validering van de VLOT Omgevingsanalyse: Eindrapportage. 2017
[74] Pijpers F, Uilenburg N., Carmiggelt B., Romeijn H., Spoor D., Stam E.. Uniforme signalering taalachterstanden bij jonge kinderen. Verslag van de pilot. 2013
[77] de Ridder J.G., van der Stege H.A., van Agt H.M.E., de Koning H.J., Verhoeven L.T.W.. VTO taal 2-jarigen: handleiding. 2006
[78] Roberts JE, Rosenfeld RM, Zeisel SA. Otitis media and speech and language: a meta-analysis of prospective studies. Pediatrics 2004;113(3 Pt 1):e238-48
[79] Roberts MY, Kaiser AP. The effectiveness of parent-implemented language interventions: a meta-analysis. American journal of speech-language pathology 2011;20(3):180-99
[81] Roth C, Magnus P, Schjølberg S, Stoltenberg C, Surén P, McKeague IW, Davey Smith G, Reichborn-Kjennerud T, Susser E. Folic acid supplements in pregnancy and severe language delay in children. JAMA 2011;306(14):1566-73
[82] Sansavini A, Guarini A, Justice LM, Savini S, Broccoli S, Alessandroni R, Faldella G. Does preterm birth increase a child's risk for language impairment? Early human development 2010;86(12):765-72
[83] Scheele A.F., Leseman P.P.M., Mayo A.Y.. The home language environment of mono- and bilingual children and their language proficiency. Applied Psycholinguistics 2010;31():117
[84] Schoon I, Parsons S, Rush R, Law J. Children's language ability and psychosocial development: a 29-year follow-up study. Pediatrics 2010;126(1):e73-80
[85] Schulting J., Krijnen W., van der Schans C.P., Dieleman L., Luinge M.R.. Beïnvloedende factoren op de taalontwikkeling van 2-jarige kinderen. 2016
[86] Shriberg LD, Tomblin JB, McSweeny JL. Prevalence of speech delay in 6-year-old children and comorbidity with language impairment. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 1999;42(6):1461-81
[87] Slaughter V, Peterson CC, Mackintosh E. Mind what mother says: narrative input and theory of mind in typical children and those on the autism spectrum. Child development 2007;78(3):839-58
[88] Smith C., Gibbard D. aby talk home visits: Development and initial evaluations of a primary prevention service. Child Language Teaching and Therapy 2011;27 (1)():68
[89] Stanton-Chapman TL, Chapman DA, Bainbridge NL, Scott KG. Identification of early risk factors for language impairment. Research in developmental disabilities 2002;23(6):390-405
[90] Stephan M., Diender M., Uilenburg N., Wiefferink C.H.. Verwijzing van kinderen met een taalachterstand naar een audiologisch centrum. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2015;47(5):96
[91] Tomblin JB, Zhang X, Buckwalter P, O'Brien M. The stability of primary language disorder: four years after kindergarten diagnosis. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 2003;46(6):1283-96
[92] Tomblin JB, Records NL, Buckwalter P, Zhang X, Smith E, O'Brien M. Prevalence of specific language impairment in kindergarten children. Journal of speech, language, and hearing research : JSLHR 1997;40(6):1245-60
[94] Unsworth S.. Assessing the role of current and cumulative exposure in simultaneous bilingual acquisition: The case of Dutch gender. Bilingualism: Language and Cognition 2013;16():86
[95] van Agt HME, van der Stege HA, de Ridder-Sluiter H, Verhoeven LTW, de Koning HJ. A cluster-randomized trial of screening for language delay in toddlers: effects on school performance and language development at age 8. Pediatrics 2007;120(6):1317-25
[96] van Denderen-Lubbers M., Wiefferink C.H., van Schie C.M.J., Rip R., Uilenburg N.. Signaleren van taalontwikkelingsstoornissen bij meertalig opgevoede kinderen. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2014;46(4):71
[98] van Schie C., Rip R., van Denderen M., Wiefferink K., Uilenburg N.. Tijdig signaleren van spraak-taalproblemen bij JGZ Kennemerland. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2011;43(3):50
[99] Veer I, Luyten H., van Tuijl C., Sleegers P.. Effectonderzoek pilot startgroepen voor peuters. Universiteit Twente. 2016
[100] Vernes SC, Newbury DF, Abrahams BS, Winchester L, Nicod J, Groszer M, Alarcón M, Oliver PL, Davies KE, Geschwind DH, Monaco AP, Fisher SE. A functional genetic link between distinct developmental language disorders. The New England journal of medicine 2008;359(22):2337-45
[101] Visscher C, Houwen S, Scherder EJA, Moolenaar B, Hartman E. Motor profile of children with developmental speech and language disorders. Pediatrics 2007;120(1):e158-63
[102] Visser-Bochane MI, Gerrits E, van der Schans CP, Reijneveld SA, Luinge MR. Atypical speech and language development: a consensus study on clinical signs in the Netherlands. International journal of language & communication disorders 2017;52(1):10-20
[103] Wallace IF, Berkman ND, Watson LR, Coyne-Beasley T, Wood CT, Cullen K, Lohr KN. Screening for Speech and Language Delay in Children 5 Years Old and Younger: A Systematic Review. Pediatrics 2015;136(2):e448-62
[104] Ward S. An investigation into the effectiveness of an early intervention method for delayed language development in young children. International journal of language & communication disorders 1999;34(3):243-64
[105] Weizman ZO, Snow CE. Lexical input as related to children's vocabulary acquisition: effects of sophisticated exposure and support for meaning. Developmental psychology 2001;37(2):265-79
[106] Wiefferink K., Rieffe C.. Sociaal-emotioneel functioneren van kinderen met ernstige spraak-/taalmoeilijkheden. Logopedie & Foniatrie 2012;84(2):40
[107] Wilson P, McQuaige F, Thompson L, McConnachie A. Language delay is not predictable from available risk factors. TheScientificWorldJournal 2013;2013():947018
[108] Zielhuis GA, Rach GH, van den Broek P. Screening for otitis media with effusion in preschool children. Lancet (London, England) 1989;1(8633):311-4
[109] Zubrick SR, Taylor CL, Christensen D. Patterns and Predictors of Language and Literacy Abilities 4-10 Years in the Longitudinal Study of Australian Children. PloS one 2015;10(9):e0135612
[110] Zuckerman B, Khandekar A. Reach Out and Read: evidence based approach to promoting early child development. Current opinion in pediatrics 2010;22(4):539-44
[111] Visser-Bochane MI, van der Schans CP, Krijnen WP, Reijneveld SA, Luinge MR. Validation of the Early Language Scale. European journal of pediatrics 2021;180(1):63-71
LET OP: print de JGZ-richtlijn in liggende afdrukstand!
Grote tabellen zijn niet volledig zichtbaar als de JGZ-richtlijn in staande afdrukstand geprint wordt. Om kleuren in de printversie goed door te laten komen, moet bij de printerinstellingen Achtergrondillustraties aangezet worden.
Disclaimer printversie JGZ-richtlijnen
De printversie van de JGZ-richtlijn bevat de algemene tekst inclusief de aanbevelingen. De wetenschappelijke onderbouwing is terug te vinden op de website, bij de aanbevelingen onder de link “Evidence”.