5.1.1 Minimale interventies

JGZ-richtlijn Angst

JGZ-richtlijn Angst

Angst

Minimale interventies voor jeugdigen met angst en hun ouders 

De interventies die de JGZ-professional inzet zijn vooral preventief van aard. Preventie kent drie hoofdvormen: universele, selectieve en geïndiceerde preventie [165]. Het inzetten van preventieve interventies kan versterkend zijn voor de gezondheid (‘positieve gezondheid’), en kan voorkomen dat angstsymptomen ontstaan of dat ze verergeren. Universele preventie beschermt de gezondheid van de bevolking en richt zich in het geval van de JGZ op het functioneren van alle kinderen en jongeren. Voor iedere jeugdige zet de JGZ haar taken in om een positieve ontwikkeling te bevorderen. Met voorlichting en advies kan de JGZ tips geven (psycho-educatie), zorg wegnemen als dit kan en zo bijdragen aan het versterken van de eigen kracht en onnodige medicalisering tegengaan. Afhankelijk van de specifieke situatie van de jeugdige, het gezin en zijn omgeving kan er ook selectieve of geïndiceerde preventie worden ingezet. Selectieve preventie richt zich voornamelijk op het functioneren van kinderen en jongeren met een verhoogd risico op psychische problemen op basis van aanwezigheid van risicofactoren (bijvoorbeeld een ouder met een psychische stoornis (Risico- en beschermende factoren), met als doel om het ontstaan van psychische problemen zoals angstklachten te voorkomen. Geïndiceerde preventie richt zich op kinderen en jongeren die al lichte psychische problemen hebben. Het doel van de JGZ bij deze preventievorm is te voorkomen dat de problemen verergeren en zich mogelijk tot een angststoornis ontwikkelen.

Ieder consult in de JGZ bevat in principe minimale interventies: zonder dat een ouder of jeugdige een specifieke vraag of individuele behoefte heeft, wordt (online) informatie over de ontwikkeling van de jeugdige per fase/leeftijd gegeven, het bijbehorende gedrag en hoe ouders of het kind zelf daarmee om kunnen gaan. Na het goed uitvragen en observeren van gedrag, ontwikkelingsaspecten en problematiek (anamnese) geeft de JGZ-professional voorlichting en advies op maat aan ouder en kind. Dit kan bestaan uit het geven van gerichte informatie en specifieke tips, geruststellen en normaliseren en/of nader onderzoek of verwijzing naar gespecialiseerde hulp.

Interventies voor ouders met een kind met risico op angst kunnen algemeen van aard zijn of meer gericht op de angstklachten. Interventies van algemene aard voor (jonge) ouders die mogelijk latere angstproblematiek bij het kind kunnen voorkomen zijn bijvoorbeeld Triple P, Stevig Ouderschap of VoorZorg. Belangrijk in de keuze van een niet-specifieke angstinterventie voor ouders is dat de JGZ-professional alert is op de Risico- en beschermende factoren voor het ontwikkelen van problematische angst. Afhankelijk van de situatie zet de JGZ-professional die algemene interventie in die de risicofactor positief kan beïnvloeden, in die zin dat de kans op een mogelijke angststoornis wordt verkleind.

De richtlijn gaat over angst en daarom zijn alleen die adviezen en interventies opgenomen die primair over angst gaan. Angst kan ook een uiting zijn van een onderliggend probleem, bijvoorbeeld van pesten, een chronische ziekte of van dyslexie. Voor deze interventies wordt verwezen naar de databank effectieve jeugdinterventies en naar andere probleemspecifieke JGZ-richtlijnen (Pesten Deze linkt opent in een nieuw tabblad, ADHD Deze linkt opent in een nieuw tabblad, Astma Deze linkt opent in een nieuw tabblad, Kindermishandeling Deze linkt opent in een nieuw tabblad).
Generieke interventies, niet speciaal gericht op angst maar op een breed spectrum van psychosociale problemen of opvoedproblemen staan beschreven in de module “Vroegsignalering in de JGZ” van de JGZ-richtlijn Psychosociale problemen Deze linkt opent in een nieuw tabblad en Opvoedondersteuning Deze linkt opent in een nieuw tabblad.

Wat zegt de wetenschap?
Verschillende meta-analyses en systematische reviews laten zien dat preventieprogramma’s om problematische angst bij jeugdigen te voorkomen of te reduceren werken. In een meta-analyse werd een effect size (ES) gevonden van 0.18 op de nameting [158], wat aangemerkt kan worden als een klein effect. Een opvallende bevinding was dat universele programma’s en selectieve/geïndiceerde programma’s even effectief bleken te zijn [158]. Echter, de meta-analyses van Corrieri et al. (2014) en Mychailyszyn, Brodman, Read en Kendall (2012) laten zien dat geïndiceerde en selectieve preventie over het algemeen effectiever zijn dan universele preventie [156][166]. Op lange termijn blijven de resultaten van preventie vaak niet behouden.
Vooral het van oorsprong Australische FRIENDS geïndiceerde preventie programma, dat ook in Nederland wordt aangeboden (‘VRIENDEN’), blijkt effectief te zijn [122][158][167]. Maar ook waren er veelbelovende resultaten voor opvoedingsondersteuningsprogramma’s voor ouders, bijvoorbeeld voor extreem verlegen peuters (door middel van screening op gedragsinhibitie) en voor kinderen van ouders met een angststoornis [158]. Effecten op de langere termijn waren niet eenduidig [158]. Preventieprogramma’s voor angst kunnen ook effectief worden ingezet op school [167] en via het internet, al is dit bewijs nog niet heel overtuigend [155].
In het algemeen kan gesteld worden dat programma’s die door externe GGZ-professionals werden uitgevoerd effectiever waren dan programma’s die werden uitgevoerd door getrainde lekenprofessionals in de organisatie, bijvoorbeeld door leerkrachten op een school (ES = 0.31 vs ES = 0.05). Mogelijk heeft dit te maken met het kennis- en opleidingsniveau van de GGZ professional [158]. In de meta-analyse die speciaal ging over angstpreventie op school bleken juist programma’s die werden gegeven door een leerkracht effectiever te zijn dan de programma’s die uitgevoerd werden door een GGZ professional (ES = 0.31 vs ES = 0.11) [167]. In beide meta-analyses [158][167] wordt aanbevolen om te kijken naar condities waaronder programma’s effectief kunnen zijn wanneer ze worden uitgevoerd door getrainde leken, omdat dit een duurzamer implementatiemodel biedt.
In de meta-analyses ging het om preventieprogramma’s en niet om psycho-educatie of advisering. Hiervan kan dus niet worden aangegeven of dit effectief is bij jeugdigen met problematische angst. Bij volwassenen lijkt psycho-educatie in elk geval wel een effectieve methode te zijn om angstklachten te verminderen en erger te voorkomen [157]

In de Kennissynthese Preventie & e-Mental-health uit 2013 wordt ook de evidentie voor online interventies voor jeugdigen met problematische angst op een rij gezet [169]. Zij bespreken tien studies, waarvan er slechts drie tot het domein van preventieve en kortdurende interventies behoren [154][159][173]. Voor de MoodGym-interventie werden direct na afloop van de interventie en zes maanden later kleine maar significante effecten gevonden in vergelijking met een wachtlijstcontrolegroep [154]. Tillfors et al. (2011) vonden grote effecten na het volgen van een online cursus om angst te verminderen voor het spreken in het openbaar, maar deze steekproef was zeer klein [173]. De studie van Hoek et al. (2012) naar de online cursus ‘Alles onder controle’ vond geen significant verschil in afname van angstklachten tussen jongeren die de cursus volgden en de wachtlijstcontrolegroep [159].

Minimale interventies voor etnische minderheden 

Het is belangrijk dat de JGZ-professional zich realiseert dat angstproblematiek in verschillende culturen verschillend geuit wordt en dat de aanpak hierop aangepast moet zijn om geaccepteerd te worden. Soms is een somatische ingang voor somatisch geuite klachten nodig om ouders/jeugdige te motiveren voor begeleiding of psychologische hulp. Hierbij kan het behulpzaam zijn een voorlichter eigen taal en cultuur in te schakelen, die aan de JGZ-organisaties verbonden kunnen zijn. Wanneer een taalbarrière een gesprek over mogelijke problematische angst in de weg staat biedt een tolk ondersteuning. Met hulp van de tolk kan het probleem inzichtelijk worden gemaakt (aan de inhuur van een tolk zijn kosten verbonden). Denk hierbij ook aan vragen als ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst je klachten verklaren?’, ‘Hoe zouden mensen in je (ouders) land van herkomst met deze klachten omgaan?’, ‘Voel je je door je naasten begrepen?’.
Het is belangrijk rekening te houden met en op de hoogte te zijn van gevoelens van schaamte die het uiten van deze klachten in de weg kunnen staan.

In de database Effectieve Jeugdinterventies Deze linkt opent in een nieuw tabblad is één interventie beschikbaar voor jeugdigen met een niet-Westerse achtergrond. My Identity, een groepscursus voor niet-westerse allochtone meisje van 13 tot 18 jaar die kampen met psychosociale problemen. Verder zijn er geen interventies ter voorkoming of vermindering van problematische angst speciaal voor deze groepen voorhanden. Maar de beschrijvingen van de meeste interventieprogramma’s geven aan dat ze geschikt en effectief zijn ook voor allochtone groepen, mits er geen taalbarrière is. In het VRIENDEN programma is bij een aantal oefeningen rekeningen gehouden met jeugdigen van allochtone afkomst door ook voorbeeldfiguren uit deze groepen te gebruiken.

Minimale interventies voor lager opgeleide groepen 

Er zijn geen interventies voor het voorkomen of verminderen van problematische angst speciaal voor groepen met een lager sociaal-economische status. Dit lijkt ook niet nodig te zijn, want uit de wetenschappelijke literatuur komen geen aanwijzingen dat interventies om problematische angst tegen te gaan voor bijvoorbeeld lager opgeleide jeugd minder effectief zouden zijn [158][167]

Minimale interventies voor jongens/meisjes met angst 

Er zijn geen interventies voor het voorkomen of verminderen van problematische angst apart voor jongens of meisjes. Ook komen er geen verschillen naar voren in effecten van de interventies voor jongens en meisjes (maar over het algemeen gaat het wel over meer meisjes dan jongens).

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen