2.2.2 Beschermende factoren

JGZ-richtlijn Angst

JGZ-richtlijn Angst

Angst

Er is veel meer onderzocht en opgeschreven over risicofactoren in vergelijking met de beschermende factoren. Bij de overzichten van beschermende factoren gaat het niet zozeer over specifieke factoren die bijdragen aan het voorkomen of verminderen van angst, maar meer over generieke factoren die bescherming bieden voor de mentale gezondheid van jeugdigen. Bijvoorbeeld positieve familierelaties, waarin gezinsleden elkaar respecteren, ondersteunen en stimuleren, zijn heel belangrijk bij het herstellen na heftige gebeurtenissen of tegenslag [82]. Een goede band met ten minste één ouder is hierbij cruciaal, maar er zijn ook beschermende effecten aangetoond als een jeugdige een goede band heeft met een andere moeder- of vaderfiguur, een grootouder, oudere broers of zussen, of met een leraar op school. Ook goede vriendschappen met leeftijdgenoten zijn van belang voor een positieve ontwikkeling van de jeugdige, al kan dit effect ook negatief uitpakken wanneer jeugdigen een slechte invloed op elkaar hebben [82].

Ince, Van Yperen, & Valkestijn [78] hebben factoren geïdentificeerd die bijdragen aan een positieve ontwikkeling bij kinderen en adolescenten, en een tegenwicht kunnen bieden aan risicofactoren. De factoren zijn niet specifiek gericht op het tegengaan van problematische angst, maar kunnen bijdragen aan een algemene positieve ontwikkeling bij jeugdigen:

  1. Sociale binding: Bij sociale binding gaat het om de emotionele band en het commitment dat een jeugdige heeft met sociale relaties in het gezin, binnen zijn of haar vriendengroep, op school en in de wijk. De band (gehechtheid) die een jeugdige op jonge leeftijd met zijn of haar ouders en gezin heeft, is van grote invloed op de binding die hij later met vrienden, school en wijk ontwikkelt.
  2. Kansen voor betrokkenheid en participatie: Kinderen en jongeren moeten kansen krijgen om een concrete, betekenisvolle en gewaardeerde bijdrage te leveren aan verbanden waarvan zij deel uitmaken (familie, school, gemeenschap).
  3. Prosociale normen: Voor een gezonde ontwikkeling van jeugdigen is het nodig dat zij opgroeien in een omgeving waarin duidelijke normen en waarden voor positief gedrag worden uitgedragen en nageleefd. Regels en grenzen moeten voor jeugdigen duidelijk zijn.
  4. Erkenning van en waardering voor positief gedrag: Om hun sociaal gedrag te versterken is het van groot belang dat jeugdigen erkenning en waardering krijgen voor positief gedrag.
  5. Sociale steun: Sociale steun van ouders en steun van andere volwassenen kan een belangrijke bijdrage leveren aan het welbevinden van jeugdigen. Het gaat om volwassenen die direct (bijvoorbeeld door emotionele steun te bieden en rolmodel te zijn) of indirect (door ouders emotionele, praktische of informatieve ondersteuning te bieden) hun bijdrage leveren. Steun aan ouders en kinderen kan een belangrijke bijdrage leveren aan het welzijn van kinderen en jongeren.
  6. Constructieve tijdsbesteding: Het gaat hierbij om de kans om deel te kunnen nemen aan bijvoorbeeld creatieve activiteiten (muziek, theater) en jeugdprogramma’s (zoals sport, clubs of verenigingen). Dit moedigt talenten aan en zorgt ervoor dat vrije tijd niet met negatieve activiteiten wordt ingevuld.
  7. Competenties: Competenties van kinderen en jongeren blijken bij te dragen aan schoolsucces, prosociaal gedrag en positieve relaties met vrienden en volwassenen. Daarbij gaat het om sociale competenties, emotionele competenties en gedragsmatige competenties.
  8. Cognitieve vaardigheden: Bij cognitieve vaardigheden kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene cognitieve vaardigheden zoals logisch en analytisch denken en abstract redeneren, en specifiek cognitieve vaardigheden, zoals lees- en rekenvaardigheden, die belangrijk zijn voor schoolsucces.
  9. Schoolmotivatie: Hierbij gaat het onder andere om binding met school, prestatiemotivatie en positieve verwachtingen ten aanzien van eigen succes. Schoolmotivatie wordt beïnvloed door onder meer ouderlijke attitudes, ouderbetrokkenheid, aanmoediging en succes op school. Daarnaast zijn normen en waarden uitgedragen door de gemeenschap en de vriendengroep van groot belang.
  10. Positieve identiteit: Dit betreft hoe jongeren zichzelf zien. Het omvat bijvoorbeeld de overtuiging dat je met je eigen gedrag persoonlijke doelen kan bereiken. Hoe meer geloof in persoonlijke effectiviteit, hoe hoger de doelen zijn die mensen voor zichzelf stellen en hoe groter de motivatie is om deze doelen te bereiken.

 

De beschermende factoren kunnen meegenomen worden bij het inschatten van de draagkracht van de jeugdige met behulp van het Balansmodel.

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen