2.2.3 Diversiteit 

JGZ-richtlijn Angst

JGZ-richtlijn Angst

Angst

Risicofactoren en beschermende factoren die samenhangen met sociaaleconomische status, etcniciteit en (biologisch) geslacht

Diversiteit kan van invloed zijn op de ontwikkeling van problematische angst. Hierna worden achtereenvolgens de sociaaleconomische status, etniciteit en (biologisch) geslacht besproken. 

De sociaaleconomische status: Jeugdigen uit minder welvarende gezinnen voelen zich vaker somber en angstig dan jeugdigen uit meer welvarende gezinnen, ook nadat gecorrigeerd is voor verschillen in bijvoorbeeld opleidingsniveau of gezinssamenstelling [68]. Verschillende longitudinale studies laten zien dat de armoede in de (vroege) kindertijd van invloed kan zijn op het angstniveau tot in de adolescentie en jongvolwassenheid.[89][104] Een enkele studie beschrijft de relatie tussen overbescherming van de moeder en angst bij het kind, en de rol die de financiële situatie van een gezin hierbij heeft [63]; het effect van overbescherming op angst werd bij de jonge kinderen alleen aangetoond bij de armere gezinnen. Bij de oudere kinderen in groep 5 en 7 bleek de financiële situatie een belangrijkere voorspeller voor angst bij het kind te zijn dan moederlijke overbescherming. Er zijn meer studies nodig om de bewijskracht van deze bevindingen te verstevigen.

Etniciteit: Migrantenkinderen hebben een verhoogd risico op mentale gezondheidsproblemen, maar dit gaat eerder om externaliserende dan om internaliserende problemen [70]. Dit risico lijkt met name te gelden voor eerstegeneratiemigranten, in combinatie met andere risicofactoren zoals een lage sociaaleconomische status, een strenge opvoedingsstijl van de moeder en een origine van buiten Europa [47]. In een ander onderzoek werden evenmin verschillen gevonden wat betreft internaliserende problemen voor jeugdigen met een Turkse, Marokkaanse en Nederlandse achtergrond tussen de 4 en 18 jaar [105]. Het is mogelijk dat de relatie extreme verlegenheid, ouderlijke overbescherming en angstsymptomen anders in elkaar zit bij groepen van niet-Nederlandse origine: Een enkele studie vond alleen een relatie tussen overbescherming, extreme verlegenheid en angst (behalve sociale angst) bij de jeugdigen met een migrantenachtergrond [107]. De kwaliteit van de relaties tussen broers en zussen heeft geen impact op angstproblematiek, maar dit effect is hetzelfde voor Marokkaans-Nederlandse en Nederlandse jeugdigen [55].

Geslacht: Er zijn sekseverschillen in het voorkomen van angstproblematiek. Verschillende studies hebben aangetoond dat meisjes genetisch gezien kwetsbaarder zijn voor angst dan jongens [77]. Meisjes hebben dan ook vaker angststoornissen dan jongens [84]. Bij meisjes is er een sterke toename van angststoornissen rond de leeftijd van 5 jaar. Bij jongens is die toename geleidelijker. Aan het begin van de middelbare schooltijd is het aantal jongens en meisjes met internaliserende klachten als depressie en angst ongeveer gelijk, maar in de loop van de adolescentie groeit de prevalentie van internaliserende problematiek bij meisjes. Jongens in de adolescentie laten meer externaliserende problematiek zien, wat overigens zeker niet wil zeggen dat er geen internaliserende problemen bij jongens voorkomen. Maar het lijkt er wel op dat meisjes eerder geneigd zijn problemen ‘naar binnen’ te richten [68]. Homoseksuele en biseksuele jongeren lopen een verhoogd risico op het ontwikkelen van mentale gezondheidsproblemen, waaronder problematische angst en angststoornissen [65]. Mogelijk komt dit doordat deze jongeren meer kans lopen om slachtoffer te worden van pesterijen en discriminatie [58].

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen