7.1 Wetenschappelijk onderbouwing

JGZ-richtlijn Lengtegroei

JGZ-richtlijn Lengtegroei

Lengtegroei

Als eerste stap bij de ontwikkeling van de richtlijn werd gestart met een systematisch literatuuronderzoek. Gevonden artikelen werden door twee medewerkers van TNO beoordeeld op relevantie. Bij verschil van mening tussen de twee beoordelaars werd in onderling overleg consensus bereikt. Relevante artikelen werden gewaardeerd aan de hand van drie aspecten, namelijk methodologische kwaliteit, toepasbaarheid in de praktijk en toepasbaarheid binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Voor het beoordelen van de methodologische kwaliteit werd gebruik gemaakt van GRADE. Bij onderwerpen waarbij studies waarin verschillende instrumenten met elkaar werden vergeleken ontbraken werd afgezien van een gradering van de kwaliteit van bewijs. De studies zijn wel volgens de GRADE systematiek beoordeeld.

De kwaliteit van bewijs – ook wel aangeduid als de mate van zekerheid van de effectgrootte – werd beoordeeld met behulp van GRADE [18]. GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte (tabel 8). Een belangrijk verschil tussen GRADE en andere beoordelingssystemen (bijvoorbeeld het niveau I-IV systeem of A1-D systeem) is dat GRADE niet alleen kijkt naar het studie design maar ook andere factoren overweegt die de kwaliteit van bewijs bepalen (tabel 9).

Tabel 8 Indeling van de kwaliteit van bewijs of mate van zekerheid ten aanzien van de effectgrootte voor een uitkomstmaat volgens GRADE

Mate van zekerheid effectgrootte Omschrijving
Groot Het werkelijke effect ligt dicht in de buurt van de schatting van het effect.
Matig Het werkelijke effect ligt waarschijnlijk dicht bij de schatting van het effect, maar er is een mogelijkheid dat het hier substantieel van afwijkt.
Laag Het werkelijke effect kan substantieel verschillend zijn van de schatting van het effect.
Zeer laag Het werkelijke effect wijkt waarschijnlijk substantieel af van de schatting van het effect.

 

Tabel 9. De kwaliteit van bewijs of mate van zekerheid ten aanzien van de effectgrootte wordt bepaald op basis van de volgende criteria

Type Bewijs

RCT start in de categorie ‘hoog’.

Observationele studie start in de categorie ‘laag’.

Alle overige studietypen starten in de categorie ‘zeer laag’.

Afwaarderen Risk of bias

− 1    Ernstig
− 2    Zeer ernstig

Inconsistentie

− 1    Ernstig
− 2    Zeer ernstig

Indirect bewijs

− 1    Ernstig
− 2    Zeer ernstig

Onnauwkeurigheid

− 1    Ernstig
− 2    Zeer ernstig

Publicatiebias

− 1    Waarschijnlijk
− 2     Zeer waarschijnlijk

Opwaarderen Groot effect

+ 1    Groot
+ 2    Zeer groot

Dosis response relatie + 1    Bewijs voor gradiënt
Alle plausibele confounding

+ 1    zou een effect kunnen reduceren
+ 1    zou een tegengesteld effect kunnen suggereren terwijl de resultaten geen effect laten zien

 

Aanbevelingen in deze richtlijn zijn daar waar mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk bewijs, aangevuld met kennis, ervaring en mening van de werkgroep leden. Voor het formuleren van aanbevelingen zijn daarnaast andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: voorkeuren van jongeren en ouders, kosten, beschikbaarheid, randvoorwaarden of organisatorische aspecten.

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is expliciet gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

Overwegingen

Binnen de werkgroep hebben verschillende discussies plaatsgevonden over de verwijscriteria en de berekening van de Target Height. TNO heeft data beschikbaar over de lengtegroei van kinderen. De huidige verwijscriteria zijn opgesteld op basis van gepubliceerde artikelen bijv. [66][32] en op basis van consensus vanuit de werkgroep. De werkgroep heeft TNO gevraagd van enkele op consensus gebaseerde verwijscriteria te checken tot hoe veel (terechte en onterechte) verwijzingen zou leiden. Deze resultaten zijn echter niet gepubliceerd. Daarom geven wij in de PDF versie van deze richtlijn (zie Bestanden) weer welke verwijscriteria zijn getest met de bestaande data en of het verwijscriteria hierna is aangepast of niet. Ook de formule voor het berekenen van de Target Height van Nederlandse kinderen van Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse afkomst werd opgesteld met behulp van bestaande data.

Verwijscriteria kleine lengte of trage groei:

Verwijzen bij een leeftijd tussen 3 en 10 jaar als sprake is van:

  1. Er is sprake van een groeiafbuiging van meer dan 2 SDS (onafhankelijk van de lengte op dat moment en onafhankelijk van de tijdsduur, groeiafbuiging kan dus verlopen over minder dan een jaar of meerdere jaren).

 

Vraag vanuit de werkgroep:

Is het logischer om te berekenen hoe vaak een lengteafbuiging van 2 SDS voorkomt bij kinderen in de populatie van 3-10 jaar die een lengte hebben >-2SDS, in plaats van “onafhankelijk van de lengte op dat moment”. Voor kinderen met een lengte <-2 SDS is namelijk al een criterium aanwezig (lengteafbuiging >1 SDS). Wat betreft een afbuiging van >2 SDS, hebben de clinici de indruk dat een dergelijke afbuiging in 3-10 jaar oude kinderen bijzonder ongewoon is, aangezien in die periode juist een kanalisatie optreedt (dat wil zeggen, stabiele lengte SDS). Wij vrezen dat met dit criterium kinderen met verworven aandoeningen (hypothyreoïdie, groeihormoondeficiëntie door tumoren, coeliakie) te laat worden opgespoord. Wij adviseren de Werkgroep literatuuronderzoek te verrichten naar de gerapporteerde groeiafbuiging bij kinderen me hypothyreoïdie bv (Rivkees et al., 1988). Uiteraard blijft het van belang de specificiteit hoog te houden van dit criterium, maar wij schatten in dat een minder extreme afbuiging (bv 1.5 daling) nog een goede specificiteit zal hebben, bij een snellere opsporing van de (toegegeven zeldzame) kinderen met verworven groeistoornissen

Reactie TNO:

Een afbuiging van 1,5 SD in combinatie met een lengte SDS >-2 leidt tot een verwijspercentage in de algemene populatie van 2%. Dit is te hoog, omdat dit boven het verwijspercentage komt van de andere criteria. In combinatie met de andere criteria leidt dit dus tot te veel verwijzingen. Het lijkt mij niet nodig om een literatuuronderzoek hiernaar te verrichten, omdat het criterium van 1 of 1,5 sd afbuiging in combinatie met een lengte SDS > -2 tot te veel verwijzingen in de algemene populatie leidt.

 

Vraag vanuit de werkgroep:

Bekijk de afbuiging van kinderen met hypothyreodie en daarvan uitgaan voor een cut-off

Reactie TNO:

Van de kinderen met hypothyreodie heeft TNO alleen data vanaf de start behandeling. Van de kinderen met hypothyreodie (Zie (Rivkees et al., 1988) zijn er 14 (van de 20) kinderen bij start behandeling met een lengte SDS < -2,5. 5 kinderen hebben een lengte SDS < -2 (en >=-2,5) en van deze 5 kinderen hebben drie kinderen een lengte SDS die >1,6 SD afwijkt ten opzichte van zijn of haar target height. 1 kind heeft een lengte SDS van -1,93 (maar een afwijking t.o.v. de target height van meer dan 2,5 SD).

 

Vraag vanuit de werkgroep:

Bekijk of het misschien toch beter is om een afbuiging per tijdseenheid te hanteren i.p.v. over onbepaalde tijd. Evt. rekening houdend met de intervallen tussen standaard bezoeken aan JGZ . 

Reactie TNO:

Dit kan alleen berekend worden op basis van de data die beschikbaar is (en dat waren reguliere consulten of eventueel vaker als er twijfel was). TNO verwacht niet dat de percentages anders worden bij het berekenen van tijdseenheden. Daarnaast is bijna 1% extra verwijzen (dus 1 op de 100) al veel, want dit komt bovenop het percentage dat al verwezen wordt.

Verwijzen bij een leeftijd tussen 10 en 19 jaar als er sprake is van:

  1. Een zeer kleine lengte (< -2,5 SDS) (zie onderbouwing).
  2. Een kleine lengte (<-2 SDS) waarbij de SDS is gecorrigeerd voor een laat beginnende puberteitsontwikkeling en/of een traag voortschrijdende puberteitsontwikkeling. Zie de JGZ-richtlijn Seksuele Ontwikkeling voor meer informatie.

 

Vraag vanuit de werkgroep:

Het probleem met deze richtlijn is dat hiermee veel patiënten met Turner zouden worden gemist, ook omdat afstand tot TH niet meer wordt meegenomen. We suggereren om te kijken naar de Turner referentiedata.

Reactie TNO:

TNO heeft inderdaad data van kinderen met Turner syndroom, ook boven de 10 jaar (na selectie van metingen voor start groeihormoon). Als die kinderen geselecteerd worden die zowel een meting hebben tussen 3 en <10 jaar en een meting tussen 10 en <19 jaar, dan blijven er 269 kinderen met Turner syndroom in het bestand over. Van deze kinderen heeft 85% (n=229) een lengte SDS< -2.5 of een lengte SDS < -2 en de afstand tot de target height is > 1,6 SD of een lengte SDS < -1 en >=-2 en de afstand tot de target height is > 2 SD in de leeftijd van 3 tot 10 jaar. Er komen nog 9 kinderen bij die niet aan deze criteria voldoen, maar wel een gecorrigeerde (volgens Karlberg) SDS onder de -2 SDS hebben tussen 10-19 jaar. 31 kinderen (van de 269) voldoen dus niet aan de criteria tussen 3-10 jaar en tussen
 

10-19 jaar (als de andere symptomen weggelaten worden, want die weten we niet als de afbuigingen weggelaten wordt). Van die 31 kinderen die hiermee niet worden opgespoord hadden slechts 4 kinderen een lengtemeting tussen -2,5 en -2 SDS toen ze 3-10 jaar oud waren. 23 kinderen hadden een lengtemeting tussen -1 en -2 SD toen ze 3-10 jaar oud waren. De rest (4 kinderen) had een SD>-1 toen ze 3-10 jaar oud waren. Van die kinderen die tussen 3-10 jaar een lengtemeting tussen -2,5 en -2 SDS hadden, zijn de target heights ook laag (varieert tussen de -1,9 en -0,7 SD). Een extra regel met de target height toevoegen heeft dus voor de Turner kinderen geen meerwaarden (op basis van het bestand dat is geanalyseerd). Met andere woorden, het lijkt beter om de verwijscriteria zo te laten.

 

Vraag vanuit de werkgroep:

In de voorgestelde richtlijn voor 10-19 jaar ontbreekt zowel een criterium voor afbuiging (delta lengte SDS) als afstand tot de target height. Dit is in tegenstelling tot de Finse richtlijn, die alle drie de auxologische criteria laten gelden voor het gehele leeftijdstraject van 0-19 jaar. Evenals werd beargumenteerd voor 3-10 jarige kinderen, bestaat het risico dat hierdoor verworven groeistoornissen niet of te laat worden gedetecteerd. Het is juist in de leeftijdsgroep van 10-19 jaar dat juveniele hypothyreoidie voorkomt, en ook hersentumoren worden relatief vaak in deze leeftijdsgroep gevonden.

Reactie TNO:

Op basis van de cross-sectionele groeidiagrammen is het niet mogelijk een regel voor de afbuiging in te stellen, want de puberteit speelt een grote rol.

 

Vraag vanuit de werkgroep:

Kleine lengte 3-10 jaar: het criterium “Er is sprake van een lengteafbuiging van meer dan 2 SDS (onafhankelijk van de lengte op dat moment en onafhankelijk van de tijdsduur, afbuiging kan dus verlopen over minder dan een jaar of meerdere jaren”. De werkgroep is van mening dat dit een te streng criterium is, waardoor kinderen met een verworven aandoening (hypothyreoïdie, Groeihormoon-deficiëntie door hersentumoren, coeliakie) te laat worden opgespoord. Mogelijk is een formulering beter die stelt dat bij een afbuiging van >1 SD een extra bezoek moet worden gepland om te controleren of de afbuiging doorzet. Of bijvoorbeeld bij een afbuiging die niet in de richting van de TH SDS gaat.

Reactie TNO:

Binnen de SMOCK data is gekeken naar afbuigingen richting de TH in het eerste jaar. Dit zal tot te veel onterechte verwijzingen leiden. Eventueel zou een afbuiging in combinatie met een matige kleine lengte (<-1 SD) een verwijscriterium kunnen zijn. Het verwijscriterium is dan: als de lengte SDS afbuiging minus TH SDS < -2,5 EN lengte SDS < -1. Volgens de SMOCK data zijn er dan 0,7% (mogelijk extra) verwijzingen in de algemene populatie.

Target Height

(Hermanussen & Cole, 2003) hebben een nauwkeurige methode ontwikkeld om de TH te berekenen. In deze berekening wordt naast de vader- en moederlengte ook rekening gehouden met de afhankelijkheid tussen de vader- en moederlengte en de afhankelijkheid tussen de ouderlengte en de eindlengte van het kind. Deze berekening hebben we overgenomen en aangepast voor de Nederlandse populatie (Van Dommelen, Schönbeck, & Van Buuren, 2012). Voor de kinderen van Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse afkomst hebben we de berekening van de TH gecorrigeerd voor de seculaire trend (5,0 cm, 5,6 en 2,3 cm voor resp. Marokkaanse, Turkse en Hindostaanse mannen en 3,0 cm, 3,8 cm en 1,3 cm voor resp. Marokkaanse, Turkse en Hindostaanse vrouwen).

 

Vraag vanuit de werkgroep:

De werkgroep zou een extra verwijscriterium willen toevoegen voor een afbuigende lengtegroei, van de TH af, omdat dit volgens kinderartsen opvallend is en mogelijk een signaal is dat er iets aan de hand is. Het volgende verwijscriterium werd voorgesteld: 2 SDS en afbuiging van minimaal 1 SD en na een half jaar weer verder afbuigen met 0,5 SD. Daarbij ontstond de vraag tot hoeveel verwijzingen de totale richtlijn dan waarschijnlijk zou leiden.

Reactie TNO:

Om dit te berekenen heeft TNO gekeken in bestaande datasets (dataset van GGD Zuid Holland Noord, selectie minimaal 2 lengtemetingen tussen 3-10 jaar en TH aanwezig: n=339; data uit de Limburgse dataset, Selectie minimaal 2 lengtemetingen tussen 3-10 jaar en TH aanwezig: n=893)

Er is naar het totaal aantal verwijzingen van alle criteria samen. Voor het voorgesteld criterium (>=-2 SDS en afbuiging van minimaal 1 SD en na een half jaar weer verder afbuigen met 0,5 SD) is vanwege de beperking van de data met metingen die niet elk half jaar zijn uitgevoerd het volgende criterium toegepast: >=-2 SDS en afbuiging van minimaal 1,5 SD.

A. Verwijzingen bij de criteria zoals die in de richtlijn van mei 2018:

De verwijscriteria bij kleine lengte geven een verwijspercentage van tussen de 2,4-2,6 procent van de kinderen. De criteria voor grote lengte geven een verwijspercentage van 3,7-5,6 %. In totaal zou dit erop neerkomen dat tussen de 6,3 en 8% van alle kinderen verwezen wordt op basis van de lengte.

B.  Verwijzingen bij de toevoeging van het extra criterium (aanvulling bij A): >=-2 SDS en afbuiging van minimaal 1,5 SD De verwijscriteria bij kleine lengte geven een verwijspercentage van tussen de 3,8-4,7 procent van de kinderen. De criteria voor grote lengte geven een verwijspercentage van 3,7-5,6. In totaal zou dit erop neerkomen dat tussen de 7,5 en 10,3% van alle kinderen verwezen wordt op basis van de lengte.

  1.  

C. Verwijzingen bij de toevoeging van het extra criterium (aanvulling bij A): SDS>=-2 en afbuiging minimaal 1,5 SDS en SDS-TH SDS < -1) :

Dit is een iets strenger criterium dan optie B. De verwijscriteria bij kleine lengte geven een verwijspercentage van tussen de 2,8-3,2 procent van de kinderen. De criteria voor grote lengte geven een verwijspercentage van 3,7-5,6%. In totaal zou dit erop neerkomen dat tussen de 6,5 en 8,8% van alle kinderen verwezen wordt op basis van de lengte.

D. Criteria voor grote lengte aanpassen

Omdat de criteria voor grote lengte ook tot veel verwijzingen leiden, hebben we gekeken hoe deze kunnen worden aangepast. Een optie is om de regel SDS > 2 en SDS <=2.5 en SDS-THSDS > 2 aan te passen naar SDS > 2 en SDS <=2.5 en SDS-THSDS > 2,5.

Dit leidt tot 3,1-3,5% verwijzingen voor grote lengte groei. Stel dat je daar voor kleine lengte de oude verwijscriteria daaraan toevoegt, dan krijg je in totaal 5,7-5,9% verwijzingen.

E. Criteria voor grote lengte aanpassen

Omdat de criteria voor grote lengte ook tot veel verwijzingen leiden, hebben we gekeken hoe deze kunnen worden aangepast. Een optie is om de regel SDS > 2 en SDS <=2.5 en SDS-THSDS > 2 is aangepast naar SDS > 2.5 en SDS <=3 en SDS-THSDS > 2,5

En ook het criterium lengte SDS > 2,5 is aangepast naar lengte SDS > 3. Dit leidt tot 1,5-2,8% verwijzingen voor grote lengte groei. Stel dat je daar voor kleine lengte de oude verwijscriteria daaraan toevoegt, dan krijg je in totaal 3,9-5,2% verwijzingen.

 

Verwijzingen op basis van kleine lengte Verwijzingen op basis van grote lengte

Totaal percentage verwijzingen

Optie A 2,4-2,6 3,7-5,6

6,3 en 8

Optie B 3,8-4,7 3,7-5,6

7,5 en 10,3

Optie C 2,8-3,2 3,7-5,6

6,5 en 8,8

Optie D Bijv. 2,4-2,6 3,1-3,5

5,7-5,9

Optie E Bijv. 2,4-2,6 1,5-2,8

3,9-5,2

Op basis van deze berekeningen is de consensus binnen de werkgroep om de verwijscriteria aan te passen (optie B), omdat:

  1. Een groeicurve met een dergelijke afbuiging geeft volgens hen reden tot zorg geeft.
  2. Zij verwachten dat een deel van de kinderen met een dergelijke afbuiging uiteindelijk niet zal worden verwezen, omdat de kans groot is dat één van de metingen een meetfout was. We benadrukken in de richtlijn dan ook: a) de gehele curve moet worden bekeken en niet punt voor punt en b) dat het wenselijk is om een punt tijdens het consult in te vullen, zodat een hermeting direct kan plaats vinden.
  3. De kinderartsen stellen voor onderzoek te doen naar de verwijscriteria, om te kijken of er inderdaad (te) veel kinderen onterecht verwezen worden.

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen