Normaal slaapgedrag
Slaap is een normale, periodiek optredende toestand van rust, die gepaard gaat met een verlaging van het bewustzijn, waarbij het lichaam en de geest tot rust komen. Wat normaal slaapgedrag is, is onder andere afhankelijk van de leeftijd van het kind. Deze module geeft een overzicht van de ontwikkeling in het slaapgedrag van baby’s tot en met adolescenten.
Slaapopbouw
Slaap bestaat uit verschillende fasen en is gericht op lichamelijk en mentaal herstel. Bij pasgeboren baby’s zijn er twee slaapfases te onderscheiden (REM- en non-REM slaap), bij oudere kinderen is dat anders [32]. Vanaf de leeftijd van ongeveer 5 jaar lijkt de slaapopbouw van kinderen steeds meer op die van volwassenen (op basis van het aantal en de duur van slaapfases in een slaapcyclus) [25]:
- REM-slaap (Rapid Eye Movement, actieve slaap). Tijdens de REM-slaap wordt het meest en het levendigst gedroomd en hoewel de spieren in het lichaam volledig ontspannen zijn, bewegen de ogen heen en weer (vandaar de naam “Rapid Eye Movement”).
- Non-REM slaap, onder te verdelen in:
- Lichte non-REM slaap (fase 1 en 2)
- Diepe non-REM slaap (fase 3).
Tijdens de slaap wisselen deze fases elkaar af: van lichte non-REM slaap, naar diepe non-REM slaap, en vervolgens de REM-slaap. Dan begint de volgende slaapcyclus of wordt de persoon wakker (zie Figuur 1). Het is normaal dat kinderen en volwassenen tussen slaapcycli enkele malen per nacht kort wakker worden, maar dat meestal niet opmerken. Een persoon doorloopt meerdere slaapcycli per slaapperiode. De slaapcyclus van een baby duurt 45 minuten en wordt langer naarmate het kind ouder wordt [73]. Vanaf 5 jaar is de slaapcyclus ongeveer anderhalf uur, zoals bij een volwassene [25]. Aan het begin van de nacht bevatten slaapcycli meer diepe non-REM slaap, terwijl aan het eind van de nacht meer lichte non-REM slaap en REM-slaap.
Figuur 1 – Voorbeeld van de slaapopbouw van een kind (van ongeveer 5 jaar oud) per nacht. De lijn geeft aan in welk slaapfase het kind zich bevindt en de tijd die in de verschillende fases doorgebracht wordt. Elk sterretje illustreert in dit voorbeeld een moment van wakker worden na een periode van REM-slaap (aangepast van [93]).
Slaapopbouw bij baby’s (0-6 maanden)
Al gedurende de zwangerschap begint de foetus een slaap-waakritme te ontwikkelen, dat de basis voor het slaappatroon vormt. Deze ontwikkeling wordt gestuurd door de opkomst van een biologische klok die al in de 18e week van de zwangerschap gevormd wordt door voedings- en hormonale stimuli van de moeder [29]. Een week na de geboorte heeft melatonine van de moeder geen invloed meer op de melatonineconcentraties van de baby. De slaap-waakcyclus van een pasgeborene kent geen dag-en-nachtritme, maar is ongeveer gelijk verdeeld over 24 uur (zie Figuur 2). Na 9 tot 12 weken leeftijd (ongeacht de zwangerschapsduur) ontwikkelen baby’s hun eigen ritmische melatonineproductie, die dan nog heel laag is, maar rond de 6 maanden een stabiel onderdeel van de slaap-waakcyclus wordt [9]. Na 3 maanden ontwikkelen baby’s ook steeds meer zelfregulatie wat tot verdere stabilisatie van het slaappatroon leidt.
Figuur 2 – Ontwikkeling van een dag-nachtritme op verschillende leeftijden [94]. De lijn staat voor de verschillende slaap- en waakperiodes gedurende 24 uur: Onder het zwarte vlak is het kind in slaap, boven het zwarte vlak is het kind wakker. De kleine schommelingen in de lijn symboliseren de verschillende slaapfases (afwisselend diepe en oppervlakkige slaap) en waakfases (afwisselend periodes van alertheid en van verminderde concentratie).
De slaapcyclus van een baby begint met de actieve slaap, dit is het equivalent van de REM-slaap bij volwassenen. In deze slaapfase kunnen baby’s bewegen, lachen of zelfs geluidjes maken en ademen zij snel en onregelmatig. Snelle oogbewegingen treden regelmatig op. In dit stadium slapen baby’s vrij licht, en vertonen ze meer actief gedrag dan volwassenen tijdens het slapen (ogen gaan soms half open, baby beweegt of maakt geluid). Baby’s kunnen in de actieve fase soms bijna wakker lijken. Hierdoor kan het voor ouders soms lastig zijn om te herkennen of hun baby al uitgeslapen is of nog verder zal slapen.
Ongeveer halverwege de slaapcyclus gaat de actieve slaap over in de stille slaap. Tijdens de stille slaap beweegt de baby nauwelijks. De ademhaling is rustig en regelmatig. Baby’s in stille slaap worden minder snel wakker door geluid en andere omgevingsfactoren. Na afloop van de stille slaap, dat tevens het einde is van de slaapcyclus, wordt een baby wakker, of begint de slaapcyclus weer opnieuw.
Slaapopbouw bij kinderen (van 6 maanden en ouder)
Naarmate baby’s ouder worden, gaat de stille slaap steeds meer over in de non-REM slaap. Dit begint rond de leeftijd van 6 maanden [32]. In de loop van het eerste levensjaar komt een dag-en-nachtritme geleidelijk op gang. Daarnaast wordt een slaapcyclus steeds langer en brengen kinderen relatief minder tijd door in de actieve slaap of REM-slaap.
Slaapritme en de biologische klok
De slaap-waakregulatie wordt vaak beschreven volgens het Drie-processenmodel [6] (Figuur 3). Dit model beschrijft hoe slaap en waak worden bepaald door de samenwerking van drie onderling onafhankelijke processen:
1. Proces S, de homeostatische slaapdruk. De homeostatische slaapdruk houdt in dat de neiging tot inslapen stijgt naarmate men langer wakker is en meer actief is, en deze daalt na voldoende slaap.
2. Proces S’, herstel/ontspanning. Bij het begin van de slaap wordt proces S aangeduid met S′ om het omgekeerde proces (herstel tijdens de slaap) weer te geven – dat in eerste instantie snel verloopt en vervolgens afvlakt naarmate de slaap voortduurt.
3. Proces C, de circadiane ritme of biologische klok. De circadiane ritme beïnvloedt de slaap zodat ’s nachts de behoefte toeneemt om te slapen en overdag de behoefte toeneemt om wakker te zijn. Dit wordt ook wel het dag-nachtritme genoemd. Het dag-nachtritme wordt bepaald door: a) interne processen en b) omgevingsinvloeden.
Figuur 3 – Drie-processenmodel van waakzaamheid (aangepast van [6]). Proces S staat voor de homeostatische slaapdruk, Proces S’ staat voor herstel/ ontspanning tijdens de slaap en Proces C staat voor de circadiane slaapdruk.
Het interne dag-nachtritme duurt ongeveer 24 uur. Onder invloed van met name licht wordt de biologische klok gesynchroniseerd met het ritme van de 24 uursdag, en met bijvoorbeeld de tijdzone of het klimaat waarin je je bevindt.
Omgevingsinvloeden
Van de omgevingsinvloeden die het dag-nachtritme beïnvloeden is licht de belangrijkste [74]. Licht geeft via een zenuwbaan die door de oogzenuw loopt, de tractus retinohypothalamicus, een signaal aan de nucleus suprachiasmaticus ofwel biologische klok (zie figuur 4). Deze geeft signalen door aan andere kernen in de hypothalamus, en samenhangende klieren voor productie van de hormonen cortisol en melatonine. Deze hormonen spelen een belangrijke rol in de regulering van slapen en wakker zijn.
Cortisol, ook wel het stresshormoon genoemd, maakt je wakker en actief. Cortisolniveaus zijn het hoogst in de ochtend, en dalen naarmate de dag vordert. Melatonine, het hormoon dat het lichaam op de nacht voorbereidt, wordt gemaakt in de avond en nacht. De melatonineproductie wordt geremd door licht, waaronder ook het blauwe licht van schermen [95].
Het melatonineniveau is overdag dan ook laag en begint te stijgen in de avond, als vanuit de biologische klok de nacht wordt ingezet. Het melatonineniveau piekt in het midden van de nacht, en daalt daarna weer.
Figuur 4 – Invloed van licht op de biologische klok. De aanwezigheid van licht geeft via het oog (retina) en de tractus retinohypothalamicus (een zenuwbaan die door de oogzenuw (nervus opticus) loopt) een signaal af aan de biologische klok (nucleus suprachiasmaticus). Via de hypothalamus, de hypofyse (niet afgebeeld) en de epifyse wordt de aanmaak van melatonine en cortisol beïnvloed, wat vervolgens weer signalen zijn voor de rest van het lichaam [1].