2.5 Differentiaal diagnose slaapproblemen en slaapstoornissen

JGZ-richtlijn Slaap

JGZ-richtlijn Slaap

Slaap

In de “International classification of sleep disorders” (ICSD-3) worden verschillende slaapstoornissen onderscheiden (zie tabel 3 – Korte omschrijving van de meest voorkomende slaapstoornissen (ICSD-3) bij kinderen en suggesties voor te ondernemen acties). Veel kinderen hebben geen slaapstoornis volgens deze definities, maar de ouders ervaren het slapen van het kind toch als een probleem. Bij een slaapstoornis kan verwijzing naar een expert nodig zijn (zie module ‘Samenwerken en verwijzen’). Bij problemen die ouders ervaren met het slapen van hun kind kan de JGZ zelf ondersteuning bieden (zie module ‘Begeleiden’).

De grens tussen een slaapprobleem en een slaapstoornis is moeilijk scherp te definiëren. Beter is een spectrum voor te stellen van gezonde slaap tot slaapstoornissen. Slaapproblemen, boven de leeftijd van 6 maanden kunnen als zij in ernst, frequentie en/of duur toenemen, overgaan in een slaapstoornis. Voor de JGZ-professional is het belangrijk op de hoogte te zijn van de verschillende slaapstoornissen om deze te kunnen herkennen, maar het is niet de taak van de JGZ om deze stoornissen te diagnosticeren. In Tabel 3 zijn de meest voorkomende slaapstoornissen bij kinderen beschreven samen met suggesties voor te ondernemen (verwijs)acties. 

Er is in Nederland geen voor de JGZ bruikbaar en wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd screeningsinstrument om slaapproblemen van slaapstoornissen te onderscheiden. 

Tabel 3 – Korte omschrijving van de meest voorkomende slaapstoornissen (ICSD-3) bij kinderen en suggesties voor te ondernemen acties*.

Stoornis Korte omschrijving stoornis  Te ondernemen actie bij een vermoeden
Chronische insomnie 

Chronische insomnie wordt gedefinieerd als moeite hebben met in slaap vallen, ’s nachts wakker worden, of te vroeg wakker worden. In de praktijk betekent dit dat kinderen moeite hebben om in slaap te vallen (zonder hulp van een ouder), 's nachts vaak wakker worden en niet meer in slaap kunnen vallen (zonder hulp van een ouder) of eerder wakker worden dan gewenst.

Daarnaast zijn er vaak gevolgen overdag zoals vermoeidheid of gedragsproblemen bij het kind.

De oorzaak van chronische insomnie bij kinderen kan aan veel verschillende factoren liggen, zoals een slechte slaaphygiëne, stress in het gezin, fysieke problemen, ouder-kind interacties etc. [69]. Daarom is een grondige anamnese essentieel. Dit stelt zorgprofessionals in staat om de mogelijke oorzaken van het slaapprobleem te bepalen en de meest geschikte aanpak te kiezen.

Met chronisch wordt bedoeld: minstens drie maanden lang, gedurende minstens drie nachten per week zijn er problemen met (zelfstandig) inslapen (langer dan 30 min.), (zelfstandig) doorslapen (meer dan drie keer per nacht wakker worden of het opnieuw in slaap vallen duurt langer dan 30 min.), te vroeg wakker worden (minimaal 30 min. vroeger dan de geplande wektijd) en/of het kind voelt zich niet voldoende uitgeslapen, terwijl er wel voldoende tijd was om te slapen. De slaapproblemen veroorzaken problemen in het dagelijks functioneren en worden niet veroorzaakt door andere (slaap)stoornissen, of externe factoren (bijvoorbeeld middelengebruik).

Bij vermoeden van een chronische insomnie kan in principe gestart worden met een interventie in de JGZ, zie module ‘Begeleiden’. Indien deze na een maand nog geen effect heeft, dan kan er doorverwezen worden (afhankelijk van de oorzaak) naar een kinderarts, slaapoefentherapeut, sensorisch informatieverwerkingstherapeut (SI-therapeut), pedagogische ondersteuner, jeugdzorg, GGZ, revalidatie, VB-instellingen1 of een specialist in een slaapcentrum. 

1VB‑instellingen zijn organisaties die zorg, begeleiding, behandeling of onderwijs bieden aan mensen met een verstandelijke beperking.

Bij kinderen met meervoudige problematiek is mogelijk intensieve behandeling nodig – afhankelijk van de oorzaak en de bijkomende problematiek verwijs naar GGZ, VG-instelling2, revalidatie, kinderarts, kinderneuroloog of een slaapcentrum.

2VG‑instellingen zijn organisaties die zorg, begeleiding, behandeling en/of ondersteuning bieden aan mensen met een verstandelijke gehandicap, vaak in combinatie met andere beperkingen (zoals lichamelijke of zintuiglijke beperkingen).

Slaapafhankelijke ademhalingsstoornissen (sleep disordered breathing (SDB)).

Slaapafhankelijke ademhalingsstoornissen zijn bijvoorbeeld snurken en het Obstructieve Slaapapneu Syndroom (OSAS).

Snurken komt bij ongeveer één op de tien kinderen voor en is op zichzelf meestal geen probleem. Snurken kan worden verklaard door vergrote keel- en/of neusamandelen. Andere oorzaken kunnen een afwijkende anatomie van het KNO-gebied en hypotonie zijn.

Bij OSAS is er een obstructie van de ademhaling (ademstilstand of verminderde ademhaling) tijdens de slaap die invloed heeft op de slaapkwaliteit. Tijdens de ademstilstanden of verminderde ademhalingen, heeft een kind wel een prikkel om adem te halen, maar het inademen wordt belemmerd door een obstructie in de keel. Tijdens de slaap ontspannen de spieren. Daardoor kunnen de tong en de zachte delen van het verhemelte in de keel de luchtweg blokkeren. Het is belangrijk op te merken dat bij OSAS in principe geen gevaar bestaat voor verstikking. De hersenen geven een alarmsignaal af zodat de snurker minder diep gaat slapen of wakker wordt.

Bij vermoeden van slaapafhankelijke ademhalingsstoornissen volg de multidisciplinaire CBO-richtlijn: ‘OSAS bij kinderen Deze linkt opent in een nieuw tabblad’.
Primaire hypersomnieën

Bij hypersomnie of hypersomnia gaat het om dagelijks terugkerende perioden van overmatige slaperigheid.

Een voorbeeld van een hypersomnie is narcolepsie. Bij narcolepsie komt ongewenst in slaap vallen overdag voor, ondanks een voldoende lange nachtslaap. Andere kenmerken van narcolepsie zijn levensechte dromen, hypnagoge hallucinaties, plotselinge gewichtstoename of spierverslappingen bij emoties.

Een zeer zeldzame slaapstoornis is het Kleine-Levin syndroom. Dit syndroom kenmerkt zich door plotselinge, zich herhalende episoden van hypersomnie met cognitieve en gedragsstoornissen [78].

Bij vermoeden van primaire hypersomnie laagdrempelig verwijzen naar kinderarts-somnoloog, kinderneuroloog-somnoloog of een slaapcentrum.
Circadiane ritmestoornissen

Bij circadiane ritmestoornissen vindt de aandrijving van het slaap-waakritme door de biologische klok te vroeg of te laat plaats vergeleken met het gewenste ritme.  Wanneer een kind de kans heeft om in zijn eigen ritme te slapen, zoals tijdens vakanties, ervaart hij/zij over het algemeen géén klachten. Bij de helft van de kinderen met ADHD is de melatonineproductie gemiddeld één tot anderhalf uur later dan normaal.

Het 24 uurs patroon van de melatonineconcentratie wordt beschouwd als de gouden standaard voor het meten van de fase van de biologische klok en kan daarom ingezet worden in de diagnostiek van deze slaapstoornissen. 

Bij vermoeden van een circadiane ritmestoornis kan in principe gestart worden met een gedragsmatige aanpak in de JGZ (zie module ‘Begeleiden’). Bij hardnekkige circadiane ritmestoornissen en problemen met in slaap vallen kan een behandeling met lichttherapie (zie module ‘Begeleiden’), eventueel aangevuld met melatonine mogelijk effectief zijn. Melatonine wordt alleen geadviseerd onder begeleiding van een getrainde JGZ-professional met de juiste ervaring.

Zie ook Aanbevelingen voor het juist gebruik van melatonine in de klinische praktijk Deze linkt opent in een nieuw tabblad

Indien deze na een maand nog geen effect heeft, dan doorverwijzen naar een kinderarts of een specialist in een slaapcentrum

Parasomnieën

Nachtmerries (REM-parasomnieën) komen voor tijdens de REM-slaap, met name tijdens de 2e helft van de nacht.

 

 

 

 

 

 

Bij nachtmerries, kan gestart worden met een interventie in de JGZ (zie module ‘Begeleiden’). Bij twijfel over de diagnose, dan doorverwijzen naar een kinderarts of een specialist in een slaapcentrum. Bij onvoldoende effect van de interventie in de JGZ en grote impact van de nachtmerries ,  doorverwijzen naar de GGZ voor aanvullende behandeling. Parasomnieën zijn niet schadelijk en gaan in veel gevallen vanzelf over, maar kunnen geluxeerd worden door slaapverstoorders zoals bijvoorbeeld obstructief slaapapneu. Van belang dat hier in de anamnese aandacht voor is. 

Raadpleeg de JGZ-richtlijn ‘Angst Deze linkt opent in een nieuw tabblad’ indien er een vermoeden bestaat dat een trauma de oorzaak is van de nachtmerries.

Non-REM parasomnieën, zoals slaapwandelen en nachtangsten (sleep terrors, pavor nocturnus) ontstaan door een gedeeltelijk wakker worden uit diepe slaap en komen met name tijdens de 1e helft van de nacht voor. Bij slaapwandelen is het van belang ouders te laten weten dat dit in principe niet gevaarlijk is, maar dat zij wel moeten zorgen dat het kind niet in een onveilige situatie terecht kan komen (bijv. van de trap vallen).
Nachtsangsten (sleep terrors, pavor nocturnus) komen voor bij 1 tot 6,5% van de kinderen, meestal  tussen de 4 en 12 jaar, met een piek tussen de 5 en 7 jaar [149]. Kinderen worden plotseling angstig en overstuur wakker. Het lijkt alsof ze wakker zijn omdat ze hun ogen vaak open hebben, maar dat zijn ze niet. Nachtangst is niet hetzelfde als een nachtmerrie. Het kind kan zich meestal geen nare droom herinneren. Bij een nachtmerrie is dat wel het geval.

Ook bij sleep terrors/pavor nocturnus is het belangrijk om ouders gerust te stellen, omdat het er voor ouders uitziet alsof hun kind ergens van overstuur is geraakt. Het kind merkt er echter niets van en kan zich er niets van herinneren. Als ouders het kind tijdens de sleep terrors/ pavor nocturnus willen troosten, weert het kind hen vaak af en is er nauwelijks contact mogelijk. Hoewel het niet ernstig is en naarmate het kind ouder wordt vanzelf overgaat, kunnen sleep terrors/ pavor nocturnus soms worden voorkomen door het kind een kwartier voordat de sleep terrors optreden wakker te maken.

Bij sleep terrors kan naast uitleg ook gestart worden met een gedragsmatige aanpak, met optimalisatie van de slaaphygiëne.
Bij zeer frequente of langdurige sleep terrors kan doorverwijzing nuttig zijn: naar de KNO-arts bij het vermoeden van OSAS als uitlokker, of naar een kinderneuroloog, kinderarts of slaapcentrum in andere gevallen.

Slaapgebonden bewegingsstoornissen Rusteloze benen-syndroom, in het Engels “Restless legs syndroom” (RLS): RLS is een neurologische toestand. Een pijnlijk, brandend of kriebelend gevoel in de benen dat optreedt in rust, met name bij het in slaap vallen, hetgeen problemen met inslapen kan veroorzaken. Er is nog weinig bekend over deze aandoening bij kinderen, maar onderzoek wijst erop dat er bij 2-6% van de kinderen mogelijk sprake is van RLS. Ook lijkt een ijzertekort te maken te hebben met het ontstaan van RLS. Bij kinderen wordt dit mogelijk nog ondergediagnosticeerd en verward met groeipijnen. Bij chronische groeipijn in combinatie met problemen met inslapen, is het mogelijk dat hier een RLS aan ten grondslag ligt. In 2013 verschenen er op consensus gebaseerde diagnostische criteria door de internationale RLS-studiegroep.

Bij vermoeden van een RLS dient verwezen te worden naar een kinderneuroloog of een specialist in een slaapcentrum.

 

 

Periodieke bewegingsstoornis van de ledematen, in het Engels “Periodic Limb Movement Disorder” (PLMD): PLMD is een stoornis waarbij kinderen ’s nachts de benen of armen regelmatig, kortdurend en plotseling bewegen, wat gepaard gaat met kort wakker worden. Kinderen zijn zich niet bewust van het bewegen, maar doordat ze op dat moment ook kort wakker worden, kan het zijn dat ze minder uitgerust raken. Bij periodieke bewegingen van de ledematen ’s nachts, in combinatie met vermoeidheid overdag, kan het duiden op PLMD. Het komt vaak samen met RLS voor. Net als bij RLS lijkt een ijzertekort te maken te hebben met het ontstaan van PLMD. Bij vermoeden van een PLMD dient verwezen te worden naar een kinderneuroloog of een specialist in een slaapcentrum.
Tandenknarsen (Bruxisme) kan een gevolg van spanning of stress zijn. 

Een kind hoeft in principe niet behandeld te worden voor bruxisme, omdat het probleem meestal vanzelf vermindert en niet schadelijk is. Indien het tandenknarsen veelvuldig en langdurig voorkomt, kan schade aan de tanden ontstaan.

Adviseer ouders in dat geval om een afspraak te maken met een tandarts of een orofaciaal fysiotherapeut. Ook kan het tandenknarsen verminderen door spanning bij het kind te verminderen.

Hoofdbonken (Jactatio capitis) komt vaak voor bij jonge kinderen, met name tijdens het inslapen en bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen en kan verschillende oorzakken hebben [69][165]. Het gaat om ritmische, stereotiepe bewegingen in de overgang van waken naar slapen. Het komt bij 20% van de gezonde kinderen voor en het wordt door hen als prettig ervaren. Naast hoofdbonken (start ~9 maanden), kan ook hoofdrollen (start ~10 maanden), “body rolling” of “body rocking” (start ~6 maanden) voorkomen, alleen, of in combinatie [69]. Naast het geluid dat de bewegingen veroorzaken, maken veel kinderen ook monotone geluiden bij de bewegingen, die voor veel overlast kunnen zorgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kind hoeft niet behandeld te worden tegen het hoofdbonken, het gedrag verdwijnt vanzelf weer. Omdat hoofdbonken op ouders beangstigend kan overkomen is het belangrijk gedegen voorlichting te geven.

Hoofdbonken kan verergeren door spanningen. Het verminderen van spanning kan ervoor zorgen dat het hoofdbonken afneemt.

Hoofdbonken kan verergeren in geval van slapeloosheid. Aandacht voor slaaphygiëne is dan belangrijk (zie module ‘Begeleiden’).

Bij langdurig hoofdbonken en klachten van vermoeidheid overdag kan doorverwijzing nodig zijn naar een kinderarts of slaapcentrum.

Bij tekenen van stress of psychologische problemen verwijzen naar de GGZ.

Als het kind zichzelf bezeert door het bonken, of het bonken gaat er erg heftig aan toe, kunnen ouders maatregelen treffen om te zorgen dat het kind zich geen pijn kan doen. 

Bespreek met ouders dat het kind zich geen pijn doet bij het hoofdbonken. Overleg met ouders wat hierbij, met inachtneming van de adviezen voor veilig slapen, de beste oplossing zijn. Denk bijvoorbeeld aan een campingbedje, waar in het kader van veilig slapen geen matras van een ledikant in gelegd mag worden, maar wel het matras dat  hoort bij het campingbedje. Zorg ervoor dat vooral geen koordjes of losliggende kussens worden gebruikt, in verband met het gevaar van verstikking.

Bij het optreden van verwondingen, spreek je niet meer van hoofdbonken, maar van zelfverwondend gedrag. Een verwijzing naar de GGZ of VB-zorg is dan aangewezen.

*Een uitgebreide omschrijving van verschillende slaapstoornissen is beschreven in de internationale classificatie van slaapstoornissen (ICSD-3) (American Academy of Sleep Medicine, 2014) en in de diagnostische en statistische handleiding van mentale stoornissen (DSM5) (American Psychiatric Association, 2013).

In tabel 4 wordt de verpleegkundige differentiaal diagnose van slaapproblemen weergegeven. Genoemd worden de titel van de diagnose zoals omschreven in het North American Nursing Diagnosis Association (NANDA) handboek (2021) [96], met daarachter de code van de diagnose.

Tabel 4 – De verpleegkundige differentiaal diagnose slaapproblemen. Genoemd worden de titel van de diagnose zoals omschreven in het handboek NANDA [96], met daarachter de code van de diagnose.  

Kind Ouder/Gezin
Slapeloosheid (00095) Kennistekort (00126)
Slaaptekort (00096) Slaaptekort (00096)
Verstoord slaappatroon (00198) Angst (00146)
Angst (00146) Vermoeidheid (00093)
Overbelasting (00177) Overbelasting (00177)
Risico op verstoorde hechting (00058) Verstoorde gezinsprocessen (00060)
  Verstoorde gezinscoping (00073)
  Ineffectieve planning van activiteiten (00199)
  Ineffectief gezondheids-onderhoud gedrag (00292)
  Risico op verminderde veerkracht (00211)
  Risico op machteloosheid (00152)
  Risico op geestelijke nood (00067)

Heb je suggesties voor verbetering van deze JGZ-richtlijn?

Geef jouw feedback

Heb je vragen?

Neem voor vragen of meer informatie contact met ons op

Contact opnemen